Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
8 oktober 2013.
Hoge Raad
Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks het instellen van het beroep heeft betrokkene geen middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijke termijn ingediend.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat betrokkene niet-ontvankelijk verklaard moest worden. De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd, waardoor betrokkene niet in het beroep kon worden ontvangen.
De Hoge Raad verklaarde betrokkene daarom niet-ontvankelijk in het beroep en sprak dit arrest uit tijdens een openbare terechtzitting op 8 oktober 2013.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.