Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
15 oktober 2013.
Hoge Raad
De verdachte werd verdacht van diefstal van kleding ter waarde van ongeveer € 272,87 in een winkel te Utrecht op of omstreeks 1 juli 2010. Het hof had geoordeeld dat het oplichten van een klein stukje rok geen fouillering was in de zin van artikel 56 van Pro het Wetboek van Strafvordering, waardoor het bewijs van het onderzoek aan de kleding niet uitgesloten werd.
De verdediging stelde dat er onvoldoende redelijk vermoeden van schuld was en dat de fouillering onrechtmatig was omdat de rok midden in de winkel werd opgetild terwijl de verdachte nog niet was aangehouden. Het hof verwierp deze verweren en achtte het redelijk vermoeden van schuld aanwezig vanwege het opvallende gedrag van de verdachte en de waarneming van een bult onder de rok.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat het oplichten van een klein stukje rok geen onderzoek aan kleding is in de zin van artikel 56 Sv Pro. Dit oordeel leidt tot vernietiging van het arrest en verwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
De uitspraak benadrukt het belang van een juiste toepassing van artikel 56 Sv Pro bij onderzoeken aan kleding en de noodzaak van zorgvuldige toetsing van bewijsuitsluitingsverweren in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.