ECLI:NL:HR:2013:955

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2013
Publicatiedatum
15 oktober 2013
Zaaknummer
12/01119
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over onderzoek aan kleding bij verdenking diefstal

De verdachte werd verdacht van diefstal van kleding ter waarde van ongeveer € 272,87 in een winkel te Utrecht op of omstreeks 1 juli 2010. Het hof had geoordeeld dat het oplichten van een klein stukje rok geen fouillering was in de zin van artikel 56 van Pro het Wetboek van Strafvordering, waardoor het bewijs van het onderzoek aan de kleding niet uitgesloten werd.

De verdediging stelde dat er onvoldoende redelijk vermoeden van schuld was en dat de fouillering onrechtmatig was omdat de rok midden in de winkel werd opgetild terwijl de verdachte nog niet was aangehouden. Het hof verwierp deze verweren en achtte het redelijk vermoeden van schuld aanwezig vanwege het opvallende gedrag van de verdachte en de waarneming van een bult onder de rok.

De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat het oplichten van een klein stukje rok geen onderzoek aan kleding is in de zin van artikel 56 Sv Pro. Dit oordeel leidt tot vernietiging van het arrest en verwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.

De uitspraak benadrukt het belang van een juiste toepassing van artikel 56 Sv Pro bij onderzoeken aan kleding en de noodzaak van zorgvuldige toetsing van bewijsuitsluitingsverweren in strafzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

15 oktober 2013
Strafkamer
nr. 12/01119
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 13 september 2011, nummer 21/004292-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof een gevoerd verweer strekkende tot bewijsuitsluiting ten onrechte, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij op of omstreeks 1 juli 2010 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid (kleding)stukken met een totale (verkoop)waarde van ongeveer € 272,87, toebehorende aan [A]."
2.3.
Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"3. Bewijsoverweging
Verweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - kort samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen:
(...)
b) Er is sprake van onvoldoende redelijk vermoeden van schuld. Nergens blijkt dat de verbalisanten er al vóór de aanhouding van verdachte van op de hoogte waren dat verdachte opvallend gedrag vertoonde. Het resultaat van het onderzoek dient te worden uitgesloten van het bewijs.
c) De fouillering moet onrechtmatig worden geacht. Er is sprake van een fouillering op grond van artikel 56 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De rok van verdachte werd midden in de winkel opgetild en verdachte was nog niet aangehouden. Het resultaat van het onderzoek dient te worden uitgesloten van het bewijs.
(...)
De raadsman verzoekt de verdachte vrij te spreken van het haar tenlastegelegde.
Oordeel hof
Het hof overweegt als volgt.
(...)
b) Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de feiten en omstandigheden in onderhavige zaak een redelijk vermoeden van schuld. Door het winkelpersoneel wordt een melding gemaakt van opvallend gedrag van de verdachte. De verdachte heeft zich achter een pilaar verstopt en is de hele tijd om zich heen aan het blijven kijken. Daarnaast constateerde één van de verbalisanten dat verdachte onder haar rok een dikke bult had zitten. Het hof constateert op basis van de foto in het dossier dat de bolling lager zit dan de buik van verdachte. Vervolgens heeft verdachte op de vraag van de verbalisant geantwoord dat zij niets onder haar rok had. Het hof acht derhalve voldoende ernstige bezwaren aanwezig.
c) Het hof benadrukt allereerst dat de rok van verdachte, zoals blijkt uit het proces-verbaal, slechts een klein stukje opgelicht werd. Het een klein stukje oplichten van de rok levert geen fouillering op in de zin van artikel 56 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Het hof komt tot de conclusie dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld en dat de verbalisanten gerechtigd waren tot het doen van onderzoek zoals door hen is uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek kunnen worden gebezigd tot het bewijs."
2.4.
Art. 56 Sv Pro luidt als volgt:
"1. De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, in het belang van het onderzoek bepalen dat deze aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht.
2. De officier van justitie kan bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte, in het belang van het onderzoek bepalen dat deze in zijn lichaam wordt onderzocht. Onder onderzoek in het lichaam wordt verstaan: het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam, röntgenonderzoek, echografie en het inwendig manueel onderzoek van de openingen en holten van het lichaam. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts. Het onderzoek wordt niet ten uitvoer gelegd indien zulks om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoeken worden op een besloten plaats en voor zover mogelijk door personen van hetzelfde geslacht als de verdachte verricht.
4. De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd den aangehoudene tegen wien ernstige bezwaren bestaan, aan zijne kleeding te onderzoeken."
2.5.
Het oordeel van het Hof dat in de vastgestelde omstandigheden "het een klein stukje oplichten van de rok" geen onderzoek aan de kleding in de zin van art. 56 Sv Pro oplevert, is onjuist. Het middel klaagt daarover terecht.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 oktober 2013.