Conclusie
“diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming” [1] veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof een bivakmuts en twee schroevendraaiers verbeurd verklaard.
middelklaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de fouillering van de verdachte onrechtmatig was.
Overweging met betrekking tot het bewijs
ter zake van een Opiumwetdelictbestonden.
nietkunnen aannemen dat er te dezen sprake was van ernstige bezwaren
in de zin van artikel 9, tweede lid, Opiumwettegen een persoon die verdacht kon worden van een bij de Opiumwet als misdrijf strafbaar gesteld feit. Alle door het hof in aanmerking genomen omstandigheden duiden immers op mogelijke betrokkenheid van de verdachte en zijn medeverdachten bij een diefstal/inbraak. Enkel de antecedenten van de verdachte zijn onvoldoende om ernstige bezwaren in de zin van art. 9, tweede lid, Opiumwet op te leveren.
ter zake van een Opiumwetdelictonderdeel is van een in feitelijke aanleg gevoerd verweer over de onrechtmatigheid van de bewijsgaring. Dit verweer heeft het oog op het aantreffen van schroevendraaiers en een bivakmuts in de kleding van de verdachte, en het strekte ertoe dit bewijsmateriaal op de voet van artikel 359a Sv uit te sluiten van gebruik in de bewijsvoering. Als dat verweer op andere gronden tot mislukken gedoemd is, ontbeert de verdachte rechtens te respecteren belang bij cassatie. In zo’n geval kan in cassatie worden volstaan met de enkele vaststelling dat ’s hofs oordeel over de ernstige bezwaren ter zake van de Opiumwet ontoereikend is gemotiveerd. Vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar de feitenrechter zou slechts kunnen leiden tot een herhaling van zetten met een gelijk resultaat.