Belanghebbende was in geschil met de Belastingdienst over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 en vermogensbelasting 1998, inclusief de daarbij opgelegde vergrijpboeten en heffingsrente. Het Gerechtshof te Leeuwarden had de boeten laten vervallen omdat volgens het hof de gronden voor de boeten niet vooraf aan belanghebbende waren meegedeeld.
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het hofarrest, terwijl de Staatssecretaris van Financiën incidenteel beroep instelde. De Hoge Raad oordeelde dat de Inspecteur belanghebbende wel degelijk vooraf schriftelijk had geïnformeerd over het voornemen tot oplegging van de navorderingsaanslagen met boeten, conform artikel 67k AWR, en dat belanghebbende de mogelijkheid had gehad om binnen twee weken te reageren.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor zover het de vergrijpboeten betrof en verwees de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing. De overige grieven van belanghebbende worden daar opnieuw beoordeeld. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af.