ECLI:NL:HR:2013:BQ3870

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2013
Publicatiedatum
27 juni 2013
Zaaknummer
11/01112
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:680a BWArt. 7:625 BW
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatie in arbeidsrechtelijke zaak over ontslag op staande voet en loonvordering

Deze zaak betreft een cassatieprocedure in een arbeidsrechtelijk geschil tussen eiseres en haar voormalige werkgever, De Brauw Blackstone Westbroek N.V., over ontslag op staande voet en een loonvordering met toepassing van matiging en beperking van wettelijke verhoging.

De procedure in de feitelijke instanties omvatte vonnissen van de kantonrechter Rotterdam en meerdere arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage, waarop het cassatieberoep is gebaseerd. Eiseres stelde meerdere klachten aan de Hoge Raad voor, die echter niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zodat geen nadere motivering nodig was. Het cassatieberoep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding, met nihil aan de zijde van De Brauw.

De uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen in de lagere instanties en sluit het geschil definitief af.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres is verworpen en zij is veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

14 juni 2013
Eerste Kamer
11/01112
EE/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. J.C. van Zundert,
t e g e n
DE BRAUW BLACKSTONE WESTBROEK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en De Brauw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 723277 CV EXPL 06-15663 van de kantonrechter te Rotterdam van 7 juli 2006 en 16 maart 2007;
b. de arresten in de zaak 105.006.639/01 (rolnummer oud: C07/00774) van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 juli 2007, 31 maart 2009 en 28 september 2010.
De arresten van 31 maart 2009 en 28 september 2010 van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof van 31 maart 2009 en 28 september 2010 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen De Brauw is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 19 april 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Brauw begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 14 juni 2013.