ECLI:NL:HR:2013:BR0671
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- E.N. Punt
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over het Europeesrechtelijke verdedigingsbeginsel bij navordering douanerechten
Belanghebbende, een douane-expediteur, heeft namens A B.V. tuinpaviljoens en zijwanden aangegeven onder een lagere tariefpost dan de douaneautoriteiten later hebben vastgesteld. De Inspecteur heeft daarop navorderingen opgelegd via uitnodigingen tot betaling (UTB) zonder belanghebbende vooraf te horen over de grondslagen van deze navordering.
De Rechtbank en het Hof bevestigden de navorderingen, waarbij het Hof oordeelde dat het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging was geschonden omdat belanghebbende niet vooraf was gehoord, maar dat dit niet tot vernietiging leidde omdat belanghebbende niet was benadeeld en haar zienswijze alsnog in bezwaar en beroep kon geven.
De Hoge Raad vraagt zich af of dit beginsel rechtstreekse werking heeft en of schending ervan leidt tot vernietiging van het besluit, of dat de rechtsgevolgen door het nationale recht worden bepaald. Ook wordt gevraagd welke rol de nationale rechter heeft bij het beoordelen van de gevolgen van een schending. De Hoge Raad legt deze vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en schorst de procedure totdat daarop uitspraak is gedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie EU en schorst de procedure.