ECLI:NL:HR:2013:BX9148
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- C.B. Bavinck
- C.H.W.M. Sterk
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Vrijval dividendbelastingschuld behoort tot belastbare winst vennootschap
Belanghebbende, een vennootschap, kreeg voor het jaar 2006 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, waarbij een dividendbelastingschuld die niet was afgedragen werd meegenomen in de winst. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar de Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag. Het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende cassatie instelde.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vrijval van de dividendbelastingschuld, die niet meer kon worden nageheven, tot de belastbare winst behoort. Het Hof oordeelde dat dit het geval is, omdat de dividendbelastingschuld een zelfstandige schuld is aan de ontvanger en niet langer deel uitmaakt van het vennootschappelijke verkeer tussen vennootschap en aandeelhouder.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de middelen van belanghebbende. De vrijval van de dividendbelastingschuld wordt fiscaal gelijk behandeld als de vrijval van andere schulden. De Hoge Raad wees ook op het belang van de materiële heffingsbepalingen en het feit dat de ingehouden dividendbelasting in principe volledig verrekenbaar is met de inkomstenbelasting van de aandeelhouder.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe. Hiermee is bevestigd dat de vermogensvermeerdering door vrijval van niet-afgedragen dividendbelasting tot de belastbare winst van de vennootschap behoort.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de vrijval van de dividendbelastingschuld tot de belastbare winst behoort.