ECLI:NL:HR:2013:BY4555
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid failliet in hoger beroep tegen beschikking rechter-commissaris over schikking
In deze zaak staat centraal de procespositie van een gefailleerde in een procedure die door de curator is voortgezet na faillissement. De curator had namens de boedel een schikking willen aangaan met een schuldeiser, waarvoor toestemming van de rechter-commissaris was gevraagd. De gefailleerde stelde zich op het standpunt dat hij als partij belang had bij de beschikking en ging in hoger beroep tegen de toestemming van de rechter-commissaris.
De rechtbank verklaarde het hoger beroep van de gefailleerde niet-ontvankelijk omdat hij niet kon worden aangemerkt als partij in de zin van artikel 67 Faillissementswet Pro. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat in procedures die de curator voortzet met het oog op voldoening van een verbintenis uit de boedel, de gefailleerde buiten het geding komt te staan. Het belang van de procedure is het belang van de boedel en niet dat van de gefailleerde.
De Hoge Raad verwijst naar vaste rechtspraak dat het recht van hoger beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris uitsluitend toekomt aan belanghebbenden die als partij kunnen worden aangemerkt, namelijk degene die het verzoek heeft gedaan of tot wie de beschikking is gericht. De gefailleerde valt hier niet onder. Het beroep wordt dan ook verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het hoger beroep van de gefailleerde niet-ontvankelijk en verwerpt het cassatieberoep.