ECLI:NL:HR:2013:BY6108
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over boedelschuld en opleveringsschade bij faillissement huurder
In deze zaak verhuurde eiseres vanaf 1 maart 2009 een bedrijfsruimte aan de rechtsvoorganger van de failliete B.V. Na faillietverklaring van de B.V. op 26 oktober 2010 zegde de curator de huurovereenkomst op, waarna het gehuurde per 31 januari 2011 werd ontruimd. Bij oplevering bleek schade aan de buitengevel en deuren van het pand ter waarde van € 24.000,--.
Eiseres vorderde betaling van deze schade als boedelschuld van de curator, stellende dat de opleveringsverplichting een boedelschuld vormt omdat deze is ontstaan door toedoen van de curator via de opzegging. De curator betwistte dit en stelde dat de schadevergoedingsplicht voortvloeit uit de huurovereenkomst en wettelijke bepalingen, en dus een concurrente vordering betreft.
De Hoge Raad bevestigde dat het faillissement geen wijziging brengt in de verbintenissen uit de overeenkomst, maar dat de curator bevoegd is om de overeenkomst niet na te komen, wat leidt tot een concurrente vordering voor de wederpartij. De uitzondering dat huurpenningen na faillissement boedelschuld zijn, geldt niet voor opleveringsschade die ontstaat door opzegging door de curator. De Hoge Raad verwierp het toedoencriterium dat eerder werd gehanteerd en oordeelde dat de schadevergoedingsverplichting geen boedelschuld is, maar een concurrente vordering.
De Hoge Raad verwierp het beroep van eiseres en veroordeelde haar in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat opleveringsschade na opzegging door de curator geen boedelschuld is, maar een concurrente vordering, en wijst het beroep af.