ECLI:NL:HR:2013:BY6165
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot premiebetaling prepensioenfonds in beroepsgoederenvervoer
De Stichting Prepensioenfonds voor het beroepsgoederenvervoer vordert cassatie tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin werd geoordeeld dat werkgevers niet verplicht waren prepensioenpremies te betalen over de periode 1 januari 2002 tot 20 februari 2003.
De kern van het geschil betreft de uitleg van het Protocol Onderhandelingsaccoord van 29 november 2000, waarin afspraken zijn gemaakt over de invoering van een prepensioenregeling ter vervanging van de VUT-regeling. Het hof oordeelde dat het Protocol slechts een medewerkingsverplichting inhield en dat de feitelijke verplichting tot premiebetaling pas met ingang van 20 februari 2003 ontstond, toen de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 in werking trad.
De Hoge Raad stelt dat het Protocol gezien de beëindiging van de VUT-regeling per 1 januari 2002 en de bedoeling van de prepensioenregeling geen andere uitleg toelaat dan dat de regeling inging op die datum. De uitleg van het hof dat er wel een regeling zou zijn maar geen premiebetalingsverplichting acht de Hoge Raad onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.
De Hoge Raad veroordeelt de verweerders in de kosten van het cassatiegeding en benadrukt dat de zaak nog inhoudelijk verder moet worden beoordeeld door het gerechtshof.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.