ECLI:NL:HR:2013:BY7637
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in zaak tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling
In deze zaak betrof het cassatieberoep een geschil over de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 van Pro de Faillissementswet. De verzoeker had tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem beroep in cassatie ingesteld. De Procureur-Generaal adviseerde het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat de verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten geen kans van slagen hadden.
De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.
Deze beslissing betekent dat het arrest van het gerechtshof Arnhem in stand blijft en dat de verzoeker geen verdere rechtsmiddelen meer heeft binnen de cassatieprocedure tegen de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan kans van slagen.