ECLI:NL:HR:2013:BY7927

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05402
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad na niet-veroordelende strafvervolging

In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van de Staat wegens een vermeende onrechtmatige overheidsdaad, namelijk het toepassen van strafvorderlijke dwangmiddelen en het instellen en voortzetten van een strafrechtelijke vervolging die niet tot een veroordeling heeft geleid.

De procedure begon bij de rechtbank 's-Gravenhage, waarna het gerechtshof te 's-Gravenhage de zaak behandelde. Tegen de arresten van het hof stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Staat verzocht tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van eiser niet leiden tot cassatie en dat er geen noodzaak is tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren.

Daarmee wordt het beroep van eiser verworpen en wordt hij veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee bevestigt de Hoge Raad dat het instellen en voortzetten van strafrechtelijke vervolgingen die niet tot veroordeling leiden niet per definitie onrechtmatig zijn en geen grond vormen voor schadevergoeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad wordt afgewezen.

Uitspraak

8 februari 2013
Eerste Kamer
11/05402
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.L.C.M. Oomen,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Veiligheid en Justitie,
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk en mr. K. Teuben.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 269308/HA ZA 06-2348 van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 augustus 2009;
b. de arresten in de zaak 200.047.515/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 maart 2011 en 23 augustus 2011.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 4 januari 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 365,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, C.E. Drion, en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 8 februari 2013.