ECLI:NL:HR:2013:BY8046

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00762
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 8 lid 1 Wet Vpb 1969Art. 7 Wet IB 1964
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt winstoverheveling bij vennootschapsbelasting navorderingsaanslagen

Belanghebbende, een besloten vennootschap, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 1996 tot en met 1999. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de eerste aanslag over 1996 en verminderde de overige aanslagen. Het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het beroep gegrond, behalve voor de eerste aanslag over 1996, en verminderde de overige aanslagen verder.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof. De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.

De Hoge Raad bevestigde dat de winst uit handelstransacties, verricht door de bestuurder en verantwoord bij de Zwitserse zustermaatschappij, in feite winst van belanghebbende is. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

4 januari 2013
nr. 11/00762
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 januari 2011, nr. 05/00727, betreffende (navorderings)aanslagen in de vennootschapsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1996 (twee maal), 1997 en 1998 navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd en is voor het jaar 1999 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij afzonderlijke uitspraken de eerste over het jaar 1996 opgelegde navorderingsaanslag gehandhaafd en de overige (navorderings)aanslagen verminderd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, behoudens voor zover het beroep was gericht tegen de uitspraak met betrekking tot de eerste over het jaar 1996 opgelegde navorderingsaanslag, en de (navorderings)aanslagen verder verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 6 oktober 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2013.