Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
Bij gelijktijdig genomen beschikking is € [BEDRAG] aan heffingsrente in rekening gebracht. Voorts is een vergrijpboete opgelegd van € [BEDRAG] .
De aftrek elders belast is nader vastgesteld op € [BEDRAG] en tevens is € [BEDRAG] aan te verrekenen buitenlandse bronbelasting vastgesteld. De vergrijpboete is komen te vervallen.
€ [BEDRAG] , met inachtneming van aftrek elders belast volgens de vrijstellingsmethode
voor een bedrag van € [BEDRAG] te verrekenen buitenlandse bronbelasting ten
bedrage van € [BEDRAG] en te verrekenen dividendbelasting ten bedrage van € [BEDRAG] ;
De inspecteur heeft op 2 februari 2018 een conclusie van dupliek ingediend.
Namens de inspecteur zijn verschenen drs. L.H. Krekel, R. Wegter RA, drs. P. Bisambhar RA, P.T. van Arnhem en L.J.J.C. van Wijnen.
Ter zitting zijn als door belanghebbende meegebrachte getuigen gehoord: [M. NAAM] , [G. NAAM] , [F. NAAM] en [H. NAAM] . Hiervan en van het overigens ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2.2. Feiten
De dividendvervangende betaling is weliswaar gelijk aan het netto-bedrag dat door de vennootschap is uitgekeerd, maar het doen van die dividendvervangende betaling gaat bij een niet in Duitsland gevestigde verkoper/bank niet gepaard met een (verplichting tot) inhouding van een dividendbelastingvervangend bedrag.
Tot dat dividend (hierna ook: het
echtedividend) was uitsluitend degene gerechtigd die op de datum waarop dat dividend werd vastgesteld, meer in bijzonder bij sluiting van die handelsdag, juridisch (en economisch) eigenaar was van het desbetreffende aandeel; en dat was niet de verkoper ter zake van door hem bezitloos verkochte aandelen, omdat die verkoper op 3 mei 2007, noch juridisch, noch economisch eigenaar was van die aandelen.
echtedividend is ingehouden, komt uitsluitend toe aan de persoon die op de datum van declaratie van dat dividend, meer in bijzonder bij sluiting van die handelsdag, juridisch (en economisch) eigenaar was van een desbetreffend aandeel.
Het Hof verwijst ter zake van hetgeen hiervoor onder (a) tot met (d) is vermeld nader naar hetgeen hierna onder 2.4 is opgenomen met betrekking tot de gang van zaken bij een bezitloze verkoop van aandelen rond de datum van uitkering van dividend.
Of kopers van bezitloos (cum/ex) verkochte aandelen recht hadden op verrekening of teruggaaf van dividendbelasting (althans: een bedrag ter grootte van de over het (bruto) dividend verschuldigde dividendbelasting) indien die belasting niet door of namens de verkoper is ingehouden en afgedragen, is – anders dan vermeld onder 4.2 uitspraak rechtbank – onzeker, zoals blijkt uit het standpunt van de Duitse regering dat onder 2.4 is opgenomen.
(…)
(…)
In den Bedingungen für Geschäfte an den deutschen Werpapierbörsen ist festgelegt, dass Börsengeschäfte am zweiten Tag nach Geschäftsabschluss zu erfüllen sind. Am zweiten Tag nach Geschäftsabschluss hat der Verkäufer die Wertpapiere an den Käufer zu liefern und der Käufer der Wertpapiere den Kaufpreis zu zahlen (…). Bei Aktienerwerben über die Börse fallen somit das Verpflichtungs (= Kauf an der Börse) und das Erfüllungsgeschäft (= Umbuchung der Aktienbestände) zeitlich auseinander.
Der Inhalt der Lieferverpflichtung wird am Tag des Geschäftsabschlusses fixiert.
Die Börsenbedingungen treffen deshalb die Regelung, dass Wertpapiere mit den Rechten und Pflichten zu liefern sind, die bei Geschäftsabschluss bestanden (…). Einen Anspruch auf Dividende haben diejenigen Aktionäre, die Eigentümer der Aktie zu einem bestimmten von der Hauptversammlung festgelegten Stichtag sind (sog. Dividendenstichtag). In der Regel wird als Dividendenstichtag der Tag, an dem die Hauptversammlung stattfindet, festgelegt.
Da Wertpapiere mit den Rechten und Pflichten zu liefern sind, die bei Geschäftsabschluss bestanden, ist der Veräuserer bei Geschäftsabschlüssen bis zum Dividendenstichtag einschliesslich verpflichtet, Aktien mit Dividendenberechtigung zu übertragen.
Der Veräusserer ist zur Lieferung von Aktien einschliesslich Dividende (cum Dividende) verpflichtet, denn am Tage des Geschäftsanschlusses waren die Aktien des Veräusserers “cum Dividende” ausgestattet. Das heisst ein Verkäufer, der die Aktien unmittelbar vor oder auch am Tag der Hauptversammlung verkauft, muss aufgrund der Börsenbedingungen dem Käufer einen Anspruch auf die Dividende verschaffen.
(…)
In Deutschland erfolgt die Girosammelverwahrung durch Clearstream Banking AG in der Funktion als Zentraler Verwahrer inländischer Aktien (Zentralverwahrer).
(…)
Dabei ist der Clearstream Banking AG nicht bekannt, ob und in welchem Umfang die Kreditinstitute selbst Eigentümer der Aktien sind oder ob die Kreditinstitute die Aktien lediglich im Auftrag ihrer Kunden verwahren lassen. Clearstream AG kennt somit nicht die tatsächlichen Eigentümer der Aktien.
(…)
Wenn ein Antragsteller in den Jahren vor 2012 Aktien über den Dividenstichtag erworben hat, können dem Market Claim Prozess grundsätzlich drei unterschiedene Sachsverhaltsvarianten zugrunde liegen.
Netto-Dividende nicht an den Verkäufer aus, sondern zahlte die zurück an den Zentralverwahrer. Der Zentrahlverwahrer wiederum überwies die so eingezogenen Beträge an die Banken. Die offene Kaufspositionen hatten. Das heisst die K-Bank erhielt in diesem Regulierungsverfahren die “echte” Netto-Dividende, zahlte sie an den Käufer uns stellte eine Steuerbescheinigung aus. Der Käufer bezog in diesen Fällen die originär von der ausschüttenden AG stammende Dividende i. S. d. § 20 Absatz 1 Nummer 1 Satz 1 EStG und keine Kompensationsleistung. In diesem Fall lag eine Erhebung der Kapitalertragsteuer durch die ausschütende Aktiengesellschaft vor. Der Käufer besitzt ein Anspruch auf Anrechnung oder ggf. Erstattung der einbehaltenen Kapitalerstragsteuer.
den Verkäuf über eine inländische Bank ab
Ausserdem war die V-Bank als inländische Bank nach § 44 Absatz 1 Satz 3 EStG in der bis zum 31. Dezember geltenden Fassung dazu verpflichtet, auf die Kompensationszahlung Kapitalertragsteuer zu erheben, die sie dann an ihr örtlich zuständiges Finanzamt abzuführen hatte. Um die Kapitalertragsteuer bezahlen zu können, hat die V-Bank von dem Verkäufer nicht nu reine Erstattung in Höhe der Netto-Dividende, sondern eine Zahlung in voller Höhe der Brutto-Dividende gefordert.
Da in diesem Fall Kapitalertragsteuer auf die Kompensationszahlung erhoben wurde, hat der Käufer einen Anrechnungs- oder Erstattungsanspruch.
den Verkauf über eine ausländische Bank ab
(…)
5.2 Beschreibung des Gestaltungsmodells
Der Erwerb von der dritten Partei durch den Leerverkäufer zeichnet sich durch zwei Besonderheiten aus.
(…)
Der (Leer-)Käufer wird im Ergebnis wirtschaftlich so gestellt, wie es aufgrund des Geselschaftsabschlusses vor dem Dividendenstichtag vorgesehen ist.
(…)
Auf diese Kompensationszahlung, die in Höhe der Nettodividende geleistet wird, wurde aber durch die ausschüttende Aktiengesellschaft keine Kapitalertragsteuer abgeführt.
Die Kapitalertragsteuer wurde nur auf die originäre Dividende abgeführt, die die dritte Partei erhalten hat, welche die Aktien an den Leerverkäufer geliefert hat.
(…)
Im Ergebnis wird eine Steuer angerechnet oder erstattet, die tatsächlich nicht gezahlt wurde. Dies war den Initiatoren des Geschäftes von vorneherein klar; der erstrebte wirtschaftliche Vorteil besteht gerade in der unberechtigten Erstattung der Kapitalertragsteuer.
(…)
Eine derartige Kompensationsleistung fällt unter den ab 2007 geltenden § 20 Absatz 1 Nummer 1 Satz 4 EStG und stellt keine “echte” Dividende i. S. d. Satzes 1 des § 20 Absatz 1 Nummer 1 EStG dar. Dies ergibt sich bereits aus dem Umstand, dass in diesem Fall die Leistung nicht von der ausschüttenden Aktiengesellschaft, sondern von dem Leerverkäufer – also von einem Dritten – erbracht wird.
Ausserdem lässt sich dem Wortlaut des § 20 Absatz 1 Nummer 1 Satz 4 EStG entnehmen, dass die Kompensationszahlungen nur kraft einer gesetzlichen Fiktion ähnlich wie Dividenden zu behandeln sind:
(…)
Auch die Gesetzbegründung des § 20 Absatz 1 Nummer 1 Satz 4 EStG macht den wesentlichen Unterschied zwischen einer “echten” Dividende und einer Kompensationszahlung deutlich:
2.7. Medio april 2007 is naar aanleiding van het onder 2.6 aangehaalde bericht van [NAAM BANK 1] overleg gevoerd binnen [B BEDRIJF] en door [B BEDRIJF] met derden, waaronder [BELASTINGADVIESKANTOOR 1] , [I BEDRIJF] (Duitsland) en [NAAM BANK 2] (zie ook uitspraak rechtbank onder 8.13.3). Het Hof verwijst naar bijlage 41 tot en met 43 bij de Notitie [D BEDRIJF] van juli 2011 van de Belastingdienst Amsterdam (hierna: de Notitie). Het Hof verwijst voorts naar het bericht van [B NAAM] van 15 april 2007 (zie ook uitspraak rechtbank onder 8.13.2).
Questions
Maar ik houd het hier waarschijnlijk wel een maandje uit. Hoe staat het met de aanvraag van de Zwitserse vergunning, want langere tijd hoef ik er niet te zitten.
Maar zou jij voor mij kunnen uitzoeken wat ik moet doen om onderstaande zaken te regelen.
(…)
1. Ik ben op dit moment uitgeschreven uit Nederland en wil me inschrijven in Zug (…)
2. Ik wil graag een bankrekeningnummer openen in Zug (…)
3. Kan jij een abonnement regelen van een krant op mijn naam naar de [STRAATNAAM] (…)
4. Hoe kan ik een ziektekosten verzekering afsluiten?
(…)”
geen enkel document of scenarioontvangen waarin deze strategie is beschreven of uitgewerkt, toegelicht dan wel berekend. [p. 22]
(…)
We hebben meerdere malen aan [D BEDRIJF] gevaagd welke documentatie aan Curaçao is verstrekt om de arbitragepositie in [E BEDRIJF] te kunnen voortzetten. De adviseur van [D BEDRIJF] beantwoordt in de brief van 6 september 2010, de vraag als volgt:
(…)
Ondanks ons uitdrukkelijk verzoek zijn er geen andere instructies, richtlijnen of andere documentatie inzake de overdracht door belastingplichtige verstrekt. (…)”” [p. 30],
Dat met deze risicoloze winst ook enige kosten zijn gemoeid (…) is overigens juist. Indien [D BEDRIJF] zich uitsluitend zou beperken tot de verkoop (shortsell) van aandelen, zou er koersrisico worden gelopen. Bovendien moet te zijner tijd aan de leveringsverplichting voldaan kunnen worden. Om het koersrisico af te dekken en te kunnen voldoen aan de verplichtingen moeten tegengestelde transacties worden gesloten. Aan het aangaan van deze transacties zijn kosten verbonden. Belastingplichtige legt uit:
“…We hebben niets op papier gezet, en dat willen we ook niet doen. Wel willen we de “ [PROJECTNAAM] ” affaire mondeling toelichten opdat [NAAM 1] [
inspecteur: de toenmalige accountant van belanghebbende] het ook begrijpt …”” [p. 21]
aanpassing van de contracten. De intraday koers van 4 mei is zelfs boven de € 20 uitgekomen (…), dat betekent een winst van € 8 per aandeel. Bij [GETAL] aandelen leidt dat tot een extra handelsresultaat van [BEDRAG] , hetgeen reeds een groot deel van de totale handelswinst van [D BEDRIJF] verklaart.”
Het is juist dat het aantal verhandelde aandelen in de auction op 3 mei 2007 ongeveer [GETAL] miljoen was. Het aantal uitstaande aandelen [E BEDRIJF] op die datum was ongeveer [GETAL] miljoen, de free float volgens Bloomberg was ongeveer [GETAL] miljoen (free float is het aantal vrij verhandelbare aandelen).”
(1) The Management Board of Eurex Deutschland may set or alter position limits in order tot ensure orderly futures and options trading and to avoid risks for the spot markets (Kassamärkte). Exchange Participants shall be notified of such determination of position limits allowing for a reasonable period of time.
(…)
2. Naar het Hof begrijpt is onder meer uitvoering aan het ‘voornemen’ gegeven door het uitbouwen van de (reeds bestaande) [E BEDRIJF] positie, in het bijzonder door middel van het verwerven van call opties [E BEDRIJF] . Vraag aan belanghebbende: waren deze opties tot en met 3 mei 2007 volledig gehedged? Mocht dat niet het geval zijn geweest, waarom niet en in welke mate niet.
Wij verwijzen naar paragraaf 5.1 van de motivering van het beroepschrift voor de Rechtbank van 2 september 2014 en overweging 17 van de uitspraak van de Rechtbank. Daaruit volgt dat de 5% grens lag bij [GETAL] aandelen [E BEDRIJF] alsmede dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende in de periode 2 tot en met 17 mei 2007 call opties in haar bezit heeft gehad die bij uitoefening recht zouden geven op een aandelenbelang in [E BEDRIJF] van meer dan 5%.(…)
Antwoord op vraag 4.2:
Belanghebbende is niet bekend met de identiteit noch met de fiscale positie van de kopers van de aandelen [E BEDRIJF] . Belanghebbende is er dan ook niet mee bekend of de kopers van deze aandelen Duitse dividendbelasting hebben verrekend dan wel teruggevraagd. Belanghebbende neemt aan dat de Duitse kopers van de aandelen meende recht te hebben op een verrekening. Wij sluiten niet uit dat hierover discussie is ontstaan met de Duitse fiscus.
Belanghebbende verwijst naar haar antwoord op vraag 4.2. Belanghebbende is niet bekend met de fiscale positie van de koper.
6. Vraag aan belanghebbende: Hoeveel aandelen [E BEDRIJF] waren er op 4 mei 2007 in geval van uitoefening van de call opties beschikbaar voor het voldoen aan de leveringsverplichting op grond van de cum/ex transacties. Deze vraag beantwoorden zowel zonder als met inachtneming van de zogenoemde R-factor.
De Rechtbank merkt op dat de uitoefening van de opties niet tot een aandelenpakket van 5% of meer heeft geleid. Dit is niet juist.
(…)
optiepositie die was aangegaan. Tegenpartijen moesten het tegenovergestelde doen. In dat geval zou er evenwicht zijn geweest. Ik ben bekend met de wet van vraag en aanbod.
Ik wist met zekerheid dat er een tegenpartij zou zijn met een vraag naar aandelen. Wie die tegenpartij is, weet ik niet.
[F. NAAM]
(…)
(…)
(…)
(…) De strategie werd niet vastgelegd op papier. De strategie werd mondeling gecommuniceerd binnen de onderneming van belanghebbende. Er waren geen misverstanden over wie welke taken uitoefende.
(…)
(…)
In 2006 en 2007 was ik als directeur verantwoordelijk voor Compliance, Risk Management en Operations (backoffice). Mijn taken bestonden uit het in kaart brengen van risico’s op de markt, maar ook het nagaan van risico’s bij effectuering van posities en transacties. Bijvoorbeeld als een broker in gevaar komt of bij renterisico’s. In geval van een
haircutdoel ik op het risico bij de meest ernstig denkbare gang van zaken – uitgedrukt in euro’s – ter zake van posities die zijn aangegaan. Ten behoeve van de [E BEDRIJF] -transactie werd gestreefd naar een deltaneutrale positie. De handelaar probeert binnen het kader van gestelde limieten zoveel mogelijk geld te verdienen. Er zijn verschillende soorten limieten: positielimieten, tradinglimieten en aandelen- en optielimieten. Laatstgenoemde type limieten betreffen maximum ordereisen, in te stellen per trader. Per fonds kunnen er namelijk meerdere traders zijn. Andere soorten limieten zijn: haircut, kredietverbruik, vegalimieten (de gevoeligheid van de optiepositie voor de volatiliteit), rentegevoeligheidslimiet, deltalimiet (de gevoeligheid van de portefeuille voor koersveranderingen) en gammalimiet (gevoeligheid portefeuille voor de delta).
De naam ‘ [PROJECTNAAM] ’ viel een keer in een board meeting. Het was niet de bedoeling teveel ruchtbaarheid te geven aan cum/ex-transacties in het algemeen en de [E BEDRIJF] -transactie in het bijzonder. In april 2007 heeft geen overdracht van verantwoordelijkheden plaatsgevonden van de heer [R NAAM] aan mij, laat staan vice versa. Ik wist niet dat de heer [R NAAM] risk manager was. Ik heb hem een enkele keer ontmoet. Er is nooit een besluit genomen het [E BEDRIJF] -project te beëindigen, formeel noch informeel.
De koersontwikkeling van [E BEDRIJF] tijdens de auction was eerst heel laag en daarna steeg het gestaag. De systemen reageren op een groot aanbod of een grote vraag. Ik kan niet zeggen of de systemen hebben gereageerd op de verkoop van [GETAL] aandelen op 3 mei 2007.
(…)
(…)
Met betrekking tot de slotkoers gedurende de auction van 3 mei 2007 merk ik het volgende op. Net voor half zes vindt de laatste transactie plaats en daarna vangt de auction aan.
Er kunnen dan allerlei koersen verschijnen. Op deze koersen – indicatiekoersen genoemd – kun je reageren. Ze hebben op zich geen betekenis. De orders worden gematched. De actuele koers wordt steeds weergegeven. Aan het einde van de auction vindt maar één transactie plaats, waartegen alles wordt afgewikkeld. (…) Gedurende de auction komt maar één prijs tot stand, waartegen vervolgens de transacties worden afgewikkeld.
(…)
over the countervia de telefoon en bilaterale handel merk ik op dat belanghebbende niet doet aan bilaterale aandelenhandel. Wij doen dus wel aan handel
over the counter.
(…)
custody bankvan belanghebbende is, geef ik als antwoord dat [F BEDRIJF] de aandelen in depot hield. Zij maakten, dacht ik, gebruik van [NAAM BANK 2] . Het in depot houden is een verantwoordelijkheid van [F BEDRIJF] . Op de opmerking van de voorzitter dat de cum/ex-transactie inzake [E BEDRIJF] bij gebruikmaking van een Duitse bank niet zou lukken, omdat de verrekening in Duitsland dan niet zou zijn toegestaan, geef ik als reactie dat op 11 of 12 april 2007 hierover contact is geweest met [NAAM BANK 1] en een advocaat. Op de opmerking van de voorzitter dat belanghebbende toen al een Nederlandse bank had, geef ik als reactie dat de angst toen weg was.
3.3. Geschil in hoger beroep
Dit geschilpunt is nader in de volgende vragen te onderscheiden:
(a) Vormen de call opties en/of de verplichting tot levering van aandelen [E BEDRIJF] uit hoofde
van de bezitloze verkoop een deelneming?
(b) Vormen de [GETAL] mln aandelen [E BEDRIJF] die belanghebbende op 4 mei 2007 heeft gekocht
dan wel de aandelen die belanghebbende op of na 4 mei 2007 door uitoefening van call
opties heeft verkregen een deelneming?
(c) Zo de call opties, de leveringsverplichting dan wel de gekochte aandelen [E BEDRIJF] een
deelneming vormen: is het door belanghebbende uit hoofde van die
rechtsverhoudingen genoten voordeel aan te merken als een voordeel uit hoofde van
een deelneming?
3.2. Indien en voor zover de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op het volledige resultaat uit hoofde van de handel in aandelen of financiële producten afgeleid van aandelen in het Duitse beursgenoteerde chemieconcern [E BEDRIJF] , houdt partijen verdeeld in hoeverre het [E BEDRIJF] resultaat tot de winst behoort van de op Curaçao aanwezige vaste inrichting van [B BEDRIJF] B.V. (hierna respectievelijk: [B BEDRIJF] BC en [B BEDRIJF] ).
4.4. Beoordeling van het geschil
van aandelen in [E BEDRIJF] met ieder een belang van 3% aan belanghebbende call opties zouden toekennen op het totale belang van hun aandelen 6%, dan zouden die call opties voor belanghebbende een deelneming vormen. De opvatting van de rechtbank houdt daarentegen in – volgens belanghebbende ten onrechte – dat de aanwezigheid van een deelneming afhankelijk wordt van de vraag of de schrijver van de optie over een deelneming beschikt.
Indien de opvatting van de rechtbank zou worden gevolgd dan zou de houder van call opties die bij uitoefening zouden resulteren in een deelneming, voorts de deelnemingsvrijstelling niet kunnen toepassen, indien de schrijver van de opties een natuurlijk persoon is of een lichaam dat niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Bovendien doet zich in die opvatting het praktische probleem voor dat de verkrijger/houder van de call opties moet zien te achterhalen wat qua aandelenbezit de (fiscale) positie is van de schrijver van de opties.
4.3.3. Evenals voor de rechtbank beroept belanghebbende zich in dit verband (mede) op de arresten HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4491, BNB 2005/254 en HR 12 oktober 2007, ECLI: NL:HR:2007:BB5353, BNB 2008/6.
overeenkomstenwaarbij de schrijver van de optie zich heeft verplicht om tegen een door belanghebbende te leveren tegenprestatie aandelen te leveren (verg. r.o. 2.4.3 van het arrest BNB 2017/11).
Hof: zie hierover nader onderdeel 4.8.3]. Voorts is door middel van zogenoemde ‘positie limieten’ door de beurs een maximum gesteld aan het aantal optiecontracten dat een partij in een beursfonds mag houden, teneinde te voorkomen dat een partij een optiepositie opbouwt die bij uitoefening recht geeft op een belang groter dan het aantal beschikbare aandelen in de desbetreffende vennootschap.
4.3.5. Belanghebbende betwist het standpunt van de inspecteur dat voor het in aanmerking nemen van de call opties als deelneming, de leveringsverplichting uit hoofde van de bezitloze verkoop mede in aanmerking moet worden genomen (saldering).
De waardeontwikkeling van deze leveringsverplichting tot aan het moment waarop belanghebbende [GETAL] mln aandelen koopt valt, aldus de inspecteur, op grond van de compartimenteringsleer niet onder de deelnemingsvrijstelling. De analogie met het arrest BNB 2005/254 gaat volgens hem niet op, omdat in het geval waarop dat arrest is gebaseerd vaststond dat de leveringsverplichting was aangegaan door de vennootschap zelf die de in die casus te leveren aandelen zou uitgeven.
€ 0,50 en een superdividend van € 33.
4.5.2.3. Aangezien de koopovereenkomst tot stand kwam op de dag waarop het dividend werd uitgekeerd dan wel op de daaraan voorafgaande dag, kocht de koper deze aandelen tegen de dan geldende beurskoers cum dividend; dat wil zeggen dat in de beurskoers en daarmee in de koopprijs een vergoeding voor de dividenduitkering was begrepen.
echtedividend dat op 3 mei 2007 is uitgekeerd aan degenen die op die dag eigenaar waren van één of meer aandelen [E BEDRIJF] , maar om een betaling die dat dividend, het
echtedividend, vervangt.
(= € 34,80 -/- € 27,46 ). Dit nadeel werd echter gecompenseerd door de uitreiking aan de koper van een ‘Steuerbescheinigung’ die nodig was om aanspraak te kunnen maken op verrekening of teruggaaf van een bedrag gelijk aan de dividendbelasting (€ 7,34) die over het door [E BEDRIJF] uitgekeerde dividend verschuldigd was.
echtedividend. Dat recht en het met uitkering van het echte dividend verband houdende recht op verrekening of teruggaaf van dividendbelasting kwam uitsluitend toe aan degene die op 3 mei 2007 eigenaar was van een of meer aandelen in [E BEDRIJF] . Het door belanghebbende aan de koper van de aandelen (per aandeel) betaalde – dividendvervangende – bedrag ter grootte van 78,9 percent van het op 3 mei 2007 op een aandeel [E BEDRIJF] uitgekeerde dividend, hield slechts kunstmatig (fictief) verband met een aandeel [E BEDRIJF] .
Dit volgt ook uit de onder 2.4 vermelde § 20 Absatz 1 Nummer 1 Satz 4 Einkommensteuergesetz (EStG). Dit betekent dat het op het dividendvervangende deel van de bezitloze verkoop betrekking hebbende deel van de koopprijs slechts kunstmatig verband houdt met het onderliggende aandeel. Dit geldt in het bijzonder voor de € 7,34, welk bedrag in geval van een bezitloze verkoop via een in Duitsland gevestigde financiële instelling op de (bruto) dividendvervangende betaling zou moeten worden ingehouden.
echtedividend – dividendbelasting werd ingehouden en afgedragen.
opsplitsenvan een aandeel in een optie en het (resterende) aandeel, als bedoeld in de arresten BNB 2003/34 en BNB 2017/11 (r.o. 2.4.2), laat staan dat een dergelijk opsplitsen voorwerp van een overeenkomst tussen belanghebbende en de schrijver van de optie is geweest.
opsplitsen, als voorwaarde voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op een met een aandeel gelijk te stellen recht, voorkomt dat de deelnemingsvrijstelling op andere met aandeelhoudersrechten gelijk te stellen rechten van toepassing kan zijn dan (uitsluitend) rechten die zijn gerelateerd aan het resultaat van de onderliggende vennootschap. Gelet op de grondgedachte van de deelnemingsvrijstelling is dit van wezenlijk belang, nu deze faciliteit bedoeld is om dubbele heffing van de (al dan niet gerealiseerde) winst van een vennootschap te voorkomen. Daartoe dient de vrijstelling beperkt te blijven tot rechten waarvan op het moment van uitgifte of het moment van overeenkomen vaststaat dat ze betrekking hebben op door de onderliggende vennootschap uitgegeven of uit te geven rechten op een aandeel in haar winst, zoals bij voorbeeld het geval is bij uitgifte van een recht op conversie in aandelen van een aan een vennootschap verstrekte (achtergestelde) lening of in de situatie die heeft geleid tot het arrest BNB 2005/254. Dat de door belanghebbende verworven call opties aan deze voorwaarde hebben voldaan is niet aannemelijk geworden, zodat zij (mede) op deze grond niet voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling kwalificeren.
(…)
Zij stelt ter zake van die aandelen dat ook in het arrest HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR: 2006:AY9986, BNB 2007/61, eerst aandelen zijn verkocht en vervolgens zijn gekocht en geleverd. Deze volgorde staat derhalve op zichzelf niet aan het toepassen van de deelnemingsvrijstelling ter zake van die verkoop in de weg.
4 mei 2007 [GETAL]
7 mei 2007 [GETAL]
8 mei 2007 [GETAL]
9 mei 2007 [GETAL]
Het door de koop verkregen bezit in aandelen in [E BEDRIJF] vertegenwoordigt een belang van meer dan 5% en kwalificeert derhalve op zichzelf wel als een deelneming. Nu de aandelen in beginsel een deelneming vormen en de leveringsverplichting niet, kunnen deze twee vermogensbestanddelen, gelet op het verschil in fiscale aard ervan, bij beantwoording van de vraag of de aandelen een deelneming vormen, niet tegen elkaar worden weggestreept.
Het Hof sluit zich derhalve met betrekking tot de vraag of de op 4 mei 2007 gekochte [GETAL] mln aandelen een deelneming vormen aan bij het oordeel van de rechtbank.
Het heeft op de weg van belanghebbende gelegen om aan te geven op welke specifieke momenten de uitoefening van de long call opties tot het bezit van een deelneming heeft geleid. Naar het oordeel van het Hof heeft zij met verwijzing naar op dagbasis samengestelde gegevens en zonder inzicht te geven op welke tijdstippen de desbetreffende aandelen zijn geleverd dan wel rechten op levering van aandelen zijn ontstaan, niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Het Hof wijst in dit verband ook op de laatste zin van rechtsoverweging 33 van de uitspraak rechtbank. Het Hof gaat derhalve evenals de rechtbank ervan uit dat het aantal aandelen waarop de long call opties recht gaven in beginsel ruim voldoende was voor verkrijging van een > 5%-belang bij uitoefening. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de op 4 mei 2007 bij belanghebbende in bezit zijnde call opties bij uitoefening recht gaven op [GETAL] aandelen in [E BEDRIJF] (antwoord 6 op schriftelijke vragen van het Hof), dat – gelet op hetgeen [M. NAAM] en gemachtigde ter zitting van het Hof daarover hebben verklaard – aannemelijk is te achten dat ook andere partijen in bezit waren van vergelijkbare call opties [E BEDRIJF] , en dat, gegeven deze omstandigheid en de beperkte omvang van de free float (zie uitspraak rechtbank onder 8.17), niet zonder meer aannemelijk is te achten dat de aandelen waarop de opties recht gaven, bij gelijktijdige uitoefening van die opties in grote aantallen, leverbaar zouden kunnen zijn. Dat uitoefening van de call opties vanaf 4 mei 2007 voor belanghebbende op enig specifiek tijdstip en – zo ja, in een bepaalde (door belanghebbende niet geduide) omvang – tot een als een deelneming te kwalificeren 5%-belang heeft geleid, is niet aannemelijk gemaakt.
Indien belanghebbende voorafgaand aan de bezitloze verkopen geen omvangrijke call positie [E BEDRIJF] zou hebben opgebouwd, dan zou het haar niet zijn toegestaan om op de schaal waarop zij dat heeft gedaan bezitloos aandelen te verkopen. De omvang van wat belanghebbende als het cum/ex resultaat ziet kan volgens de inspecteur dan ook niet afhankelijk zijn van de keuze om hetzij door middel van
uitoefeningvan de call opties, hetzij door middel van
aankoopvan aandelen, aan de leveringsverplichting te voldoen.
[GETAL] dat als voordeel uit hoofde van die deelneming zou zijn vrijgesteld.
Belanghebbende volgt het oordeel van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 36 en 38 van haar uitspraak.
Oordeel Hof4.13.1. Het Hof gaat (veronderstellenderwijs) ervan uit dat belanghebbende, buiten het dividendbelastingvoordeel van (bruto) € 7,34 per aandeel, uit hoofde van de deelneming in de [GETAL] mln aandelen [E BEDRIJF] die zij op 4 mei 2007 heeft verkregen, geen positief voordeel heeft genoten. In zoverre volgt het Hof hetgeen de rechtbank in r.o. 38 van haar uitspraak heeft overwogen. Uit deze overweging volgt immers dat voor zover de koop van de [GETAL] mln aandelen [E BEDRIJF] en het met deze aandelen voldoen aan de uit de bezitloze verkoop voortvloeiende leveringsverplichting tot een positief resultaat heeft geleid, dit resultaat bestaat uit het aan die rechtshandelingen toe te rekenen deel van het dividendbelastingvoordeel. Valt dat voordeel niet onder de deelnemingsvrijstelling, dan kan derhalve uit hoofde van het bezit van de [GETAL] mln aandelen niet overigens een positief voordeel uit hoofde van die deelneming zijn genoten.
bedrijfsresultaatkan hier niet iets anders zijn bedoeld dan het resultaat van de vennootschap waarin de belastingplichtige een deelneming heeft. In dezelfde zin de door de rechtbank aangehaalde formulering uit het arrest BNB 2003/34: “De deelnemingsvrijstelling strekt ertoe te voorkomen dat in een deelnemingsverhouding dezelfde winst tweemaal in een belasting naar de winst wordt betrokken.” Met de term
dezelfde winstkan hier hier niet iets anders zijn bedoeld dan winst van de vennootschap waarin de belastingplichtige een deelneming heeft. Hieruit volgt onder meer dat er een verband moet zijn tussen het resultaat van de (onderneming) van de deelneming – door die deelneming gerealiseerd of nog ongerealiseerd – en het voordeel dat de houder van de deelneming als deelnemingsvoordeel wenst aan te merken. Dit vereiste verband komt in de tekst van artikel 13, eerste lid, van de Wet (tekst 2007; de deelnemingsvrijstelling) tot uiting in de woorden: ‘uit hoofde van’.
echtedividend.
Deze dividendvervangende betaling is gelijk aan het netto-dividend, in de veronderstelling dat (de bank van de) verkoper dividendbelasting (of eigenlijk: een dividendbelastingvervangend bedrag) inhoudt en afdraagt. Gegeven deze veronderstelling ontvangt de koper via zijn bank de ‘Bescheinigung’.
Voor belanghebbende is dit echter anders, vanwege (uitsluitend) de omstandigheid dat zij en/of [F BEDRIJF] ter zake van de bezitloze verkoop niet aan de heffing van Duitse dividendbelasting zijn onderworpen. Belanghebbende noch haar depotbank is verplicht om ter zake van de dividendvervangende betaling dividendbelasting in te houden en af te dragen. Belanghebbende behoudt aldus de in de intern Duitse situatie in te houden en af te dragen dividendbelasting voor zichzelf en dient deze tot haar winst te rekenen.
echtedividend dat door [E BEDRIJF] is uitgekeerd en dat uitsluitend toekomt aan personen die op 3 mei 2007, bij de sluiting van die beursdag, eigenaar waren van één of meer aandelen [E BEDRIJF] . Dit
echtedividend en de invloed ervan op de waarde van het aandeel [E BEDRIJF] vóór 4 mei 2007 behoort in beginsel tot de in artikel 13, eerste lid, van de Wet bedoelde voordelen, maar – zoals ook hiervoor al is overwogen – tot deze voordelen is noch belanghebbende, noch de koper van de bezitloos verkochte aandelen gerechtigd geweest.
echtedividend (en dus geen verband houdt met het aandeel dat object is van de bezitloze verkoop), volgt ook uit par 20 Absatz 1 Nummer 1 Satz 4 EStG (zie onder 2.4), op grond waarvan een dividendvervangende betaling uitsluitend op grond van een wetsfictie met dividend is gelijkgesteld.
Dat voordeel vindt immers geen oorzaak in de bedrijfsuitoefening van [E BEDRIJF] , maar in het door belanghebbende uitnutten van het voor haar ontbreken van een verplichting dividendbelasting in te houden en af te dragen (zie onder 4.13.5). In termen van de grondgedachte van de deelnemingsvrijstelling: er is niet een tweemaal belasten van dezelfde winst en er valt derhalve op die grond dan ook niet iets vrij te stellen; de (gereserveerde) winst van [E BEDRIJF] die tot uiting komt in het door haar op 3 mei 2007 uitgekeerde dividend staat geheel los van het door belanghebbende gerealiseerde arbitragevoordeel.
Dat er cijfermatg gelijkenis aanwezig is tussen enerzijds (a) en (b) en (anderzijds) de werkelijke waarde van een aandeel [E BEDRIJF] op 3 mei 2007 respectievelijk de omvang van het dividend en de verschuldigde dividendbelasting, maakt niet dat het door belanghebbende genoten dividendbelastingvoordeel een voordeel is uit hoofde van de deelneming van belanghebbende (belanghebbende als bezitloze verkoper van die aandelen dan wel als verkrijger van [GETAL] mln aandelen [E BEDRIJF] (ex)). De cijfermatige gelijkenis is immers niet gebaseerd op een verband tussen (a) en/of (b) met [E BEDRIJF] , maar op de kennelijke behoefte van de beurs om (bezitloze) transacties in aandelen over de datum van dividenddeclaratie heen mogelijk te maken.
eenzelfde bedrijfsresultaattweemaal in de heffing van vennootschapsbelasting wordt betrokken.
Dit laatste geldt te meer voor het dividendbelastingarbitragevoordeel, aangezien dat voordeel uitsluitend voortvloeit uit de omstandigheid dat belanghebbende noch haar bank ( [F BEDRIJF] ) in Nederland verplicht is Duitse dividendbelasting in te houden en af te dragen.
Zo dat anders zou zijn en – zoals belanghebbende heeft gesteld – de call opties en/of aangegane leveringsverplichtingen als deelneming zouden kwalificeren, dan geldt voor de vraag of het uit hoofde van die posities genoten dividendbelastingarbitragevoordeel een deelnemingsvoordeel is, hetzelfde als hiervoor onder 4.13.1 tot en met 4.13.11 met betrekking tot de op 4 mei 2007 verkregen [GETAL] mln aandelen is overwogen. Ook in zoverre kan het dividendbelastingvoordeel niet als deelnemingsvoordeel worden beschouwd.
Dat uit hoofde van de call opties en/of leveringsverplichtingen een ander voordeel is genoten dan het dividendbelastingvoordeel is niet aannemelijk gemaakt.
Toerekening van het [E BEDRIJF] resultaat aan hoofdhuis en vaste inrichtingOordeel rechtbank4.14. Ter zake van de toerekening van het [E BEDRIJF] resultaat aan het hoofdhuis ( [B BEDRIJF] ) en de vaste inrichting van [B BEDRIJF] op Curaçao ( [B BEDRIJF] BC) heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Hof: zie ook uitspraak rechtbank onder 8.11).
Ter zake van de door [B BEDRIJF] hoofdhuis verrichte werkzaamheden kan op de aan [B BEDRIJF] BC toegerekende winst een cost plus-vergoeding in mindering worden gebracht.
Volgens belanghebbende heeft [M. NAAM] vanaf Curaçao zelfstandig (i) de positie in [E BEDRIJF] (verder) opgebouwd met gebruikmaking van zijn brokersnetwerk (trading), (ii) de [E BEDRIJF] positie gehedged, (iii) de [E BEDRIJF] transactie (de cum/ex transactie) uitgevoerd, en (iv) de [E BEDRIJF] positie afgebouwd.
De door [G. NAAM] bewaakte 20% omvanglimiet was volgens belanghebbende van belang, omdat bij overschrijding van die limiet de Bafin geïnformeerd diende te worden.
Ten aanzien van [F. NAAM] wijst belanghebbende voorts op de door hem afgelegde verklaringen, waaruit volgt dat hij niet heeft gehandeld en ten aanzien van [O NAAM] op de omstandigheid dat hij in april 2007 in Zwitserland verbleef, waar belanghebbende niet over trading faciliteiten beschikte. Ook [B NAAM] heeft niet in [E BEDRIJF] gehandeld.
- ten tijde van de overdracht van de [E BEDRIJF] positie geen sprake was van ‘winstverzekerde activiteiten’; de inspecteur gaat voorbij aan de risico’s van de [E BEDRIJF] transactie;
- het met de [E BEDRIJF] transactie te behalen resultaat ten tijde van de overdracht zeer ongewis was;
- het om een cum/ex transactie ging die als zodanig in de markt bekend was, en
- [B BEDRIJF] BC de belangrijkste ‘significant people functions’ heeft verricht.
Het handelsresultaat is volgens belanghebbende het resultaat dat voortvloeit uit het afwikkelen van de vanaf 4 mei 2004 resterende long call optiepositie en bedraagt volgens haar € [BEDRAG]
- de relatie met de broker persoonlijk is;
- de gunfactor bepaalt of een broker met je wil handelen;
- het bij de opbouw van de positie in [E BEDRIJF] ging om het vinden van volume in de markt, en daar is [M. NAAM] bij uitstek in geslaagd;
- het vrijwel onmogelijk was om [E BEDRIJF] via het scherm te kopen en [M. NAAM] er via zijn netwerk in is geslaagd tegenpartijen te vinden;
- andere handelaren niet in staat waren met brokers om te gaan zoals [M. NAAM] , en
- een handelaar zich bij de prijsstelling zo min mogelijk in de kaarten laat kijken.
- [G. NAAM] niet handelde en geen instructies aan handelaren gaf;
- een handelaar voorafgaand aan een trade geen toestemming aan [G. NAAM] vroeg;
- [G. NAAM] de door de handelaren ingenomen posities monitorde vanuit een risk management perspectief en in dat kader limieten stelde;
- het een handelaar vrij stond om te handelen binnen de gestelde limieten;
- de risk manager de omvang van een handelspositie niet bepaalde, en
- [M. NAAM] zelfstandig in [E BEDRIJF] handelde.
De inspecteur ziet een parallel met de beslissing van het Hof waarop het arrest BNB 2013/77 is gevolgd, omdat zijns inziens ook in het onderhavige geval het resultaat van een in Nederland gedreven onderneming – ten onrechte – is toegerekend aan een in een tax haven gedreven onderneming, terwijl de werkelijke activiteiten van de in de tax haven gedreven onderneming de daarin neergeslagen winst niet rechtvaardigt.
[M. NAAM] heeft verklaard over de (grote) risico’s die verbonden zijn aan position trading. Volgens de inspecteur kwalificeren de werkzaamheden van [M. NAAM] in het kader van de cum/ex transactie niet als position trading, maar gaat het om arbitrage, op basis van afgedekte posities.
De inspecteur wijst op het uitoefenen van ruim 39.000 contracten (call opties [E BEDRIJF] ) waarmee circa [GETAL] mln aandelen [E BEDRIJF] zijn verkregen, alsmede op de [GETAL] mln aandelen die, eveneens op 4 mei 2007, op de beurs zijn gekocht. Aldus werd feitelijk de volledige op 4 mei 2007, uit hoofde de op dat moment bestaande short positie, bestaande leveringsverplichting afgedekt. Volgens de inspecteur vergden deze handelingen op zichzelf niet bijzonder veel kennis of ervaring en gebeurde de feitelijke uitoefening (‘exercise’) van de transacties volledig vanuit Amsterdam. [M. NAAM] voerde slechts opdrachten uit en deed de transacties in opties en aandelen [E BEDRIJF] binnen de vanuit Amsterdam opgestelde handelslimieten, aldus de inspecteur.
De verklaring van [G. NAAM] bevestigt volgens de inspecteur dat het project ‘ [PROJECTNAAM] ’ – behoudens de door [M. NAAM] op Curaçao verrichte uitvoeringshandelingen – ongewijzigd door de [E BEDRIJF] -projectgroep (in Amsterdam) is voortgezet.
Dit betekent volgens de inspecteur dat ook de omvang van de [E BEDRIJF] positie door [G. NAAM] werd bewaakt, hetgeen verband hield met de Duitse meldingsregels. Met een belang van 19,7% is die limiet op 4 mei 2007 bijna bereikt. Deze limiet zou volgens de inspecteur niet kunnen verhinderen dat diverse handelaren, waaronder belanghebbende, gezamenlijk rechten op te verkrijgen aandelen hadden die in aantal de beschikbare hoeveelheid aandelen [E BEDRIJF] (verre) zouden overschrijden, met als gevolg dat één of meerdere van die handelaren niet aan hun leveringsverplichting zou kunnen voldoen. Volgens de inspecteur is dit risico gemanaged door op 4 mei 2007 [GETAL] mln aandelen te kopen.
4.16.10.1. Naar aanleiding van de verklaring van [G. NAAM] dat zich aan het einde van de auction net zo goed een significante koersstijging had kunnen voordoen indien een verkopende partij had nagelaten om aandelen te verkopen, stelt de inspecteur dat [B BEDRIJF] de verkopende partij was en dat het niet aannemelijk is dat zij zou ‘vergeten’ aandelen te verkopen. De werkelijke reden voor de daling van de koers aan het einde van de auction is het enorme aantal van [GETAL] miljoen aandelen dat tijdens de auction werd verkocht; de enige partij die wist dat dit zou gaan gebeuren was [B BEDRIJF] , aldus de inspecteur.
Bovendien werden vanuit Amsterdam kaders/limieten gesteld en faciliteiten beschikbaar gesteld (vergunning, financiering). Dat [M. NAAM] ook hedging-activiteiten heeft verricht is eigen aan een arbitragestrategie; daarbij gaat het om gesloten posities. Hedging is dan geen zelfstandige functie. De inspecteur verwijst in dit verband naar enkele tot de stukken behorende trade confirmations. Daaruit blijkt dat bij een koop van call opties tegelijkertijd voor eenzelfde hoeveelheid aandelen worden verkocht. De aankoop en de hedge vormen dan één transactie. Dit betekent dat de werkzaamheden van [M. NAAM] op de voet van Part III van het PE-Report niet kunnen worden vergeleken met die van een market maker.
De inspecteur concludeert derhalve dat [M. NAAM] / [B BEDRIJF] BC geen key entrepreneurial function heeft uitgeoefend.
Het besluitvormingsproces rond een eventuele opbouw en afbouw van een positie in [E BEDRIJF] , de daarmee gepaard gaande risico’s en de strategie (voorafgaand aan de tewerkstelling in [B BEDRIJF] BC van [M. NAAM] ) heeft plaatsgevonden op het hoofdhuis. Het project is in Amsterdam ontwikkeld, gemonitord, uitgevoerd, beheerst en gemanaged. Bij de cruciale
[M. NAAM] heeft op Curaçao niet zelf bedacht om een positie in [E BEDRIJF] op te bouwen.
Hij was belast met de uitvoering van de door het hoofdhuis bedachte strategie. Daarbij heeft het projectteam gedurende de opbouw en afbouw van de positie dagelijks toezicht gehouden op het werk van [M. NAAM] . De inspecteur acht het volstrekt onwaarschijnlijk dat het project in handen zou zijn gelegd van een individuele handelaar.
€ [GETAL] mln.
Oordeel Hof4.17.1. Vaststaat dat belanghebbende ruim vóór de vestiging van een vaste inrichting van [B BEDRIJF] op Curaçao ( [B BEDRIJF] BC) – kort na de aankondiging op 3 november 2006 van het superdividend [E BEDRIJF] – het voornemen heeft opgevat om rond de uitkering van dat dividend [E BEDRIJF] een cum/ex transactie [E BEDRIJF] aan te gaan, zoals nader is beschreven onder 4.5.1 tot en met 4.5.2.8 (hierna ook: de [E BEDRIJF] transactie).
Belanghebbende beschikte over ervaring met een dergelijke transactie en het Hof acht het aannemelijk dat de in het kader van deze transactie te verrichten activiteiten door [B BEDRIJF] zijn bedacht, voordat [B BEDRIJF] BC werd gevestigd; zo was [B BEDRIJF] vóór dat moment reeds begonnen met het deltaneutraal opbouwen van een positie in call opties [E BEDRIJF] . De voorbereiding en uitvoering van het [E BEDRIJF] -project was in handen van een projectgroep die onder leiding stond van [B NAAM] (uitspraak rechtbank onder 8.3 en 8.4).
4.17.4. Vaststaat voorts dat [B BEDRIJF] BC op Curaçao in april 2007 de beschikking kreeg over een kantoorruimte van 15 m², voorzien van ict-faciliteiten en bijstand van enige ondersteunende medewerkers/derden, dat men aldaar toegang had tot een account van [B BEDRIJF] bij [F BEDRIJF] , dat men gebruik kon maken van de Nederlandse licentie van [B BEDRIJF] bij EUREX en dat [B BEDRIJF] voldoende vermogen diende aan te houden voor het door [B BEDRIJF] BC aangaan van transacties (uitspraak rechtbank onder 50). Dat voor het realiseren van de [E BEDRIJF] transactie benodigde (kortlopende) financieringsfaciliteiten, alsmede de daaraan ten grondslag liggende rechtsverhoudingen, aan het vermogen van [B BEDRIJF] BC zouden zijn toegerekend is niet gesteld of aannemelijk geworden. De aangifte vennootschapsbelasting 2007 van belanghebbende bevat geen balans en winst- en verliesrekening van [B BEDRIJF] BC.
Overigens behoeft de vaststelling onder 8.11 uitspraak rechtbank dat [B BEDRIJF] BC een eigen account kreeg bij [F BEDRIJF] en dat de positie op het clearing account van [B BEDRIJF] bij [F BEDRIJF] werd overgeboekt naar een eigen account van [B BEDRIJF] BC enige relativering. Voor zover de rechtbank met deze vaststellingen heeft bedoeld dat [B BEDRIJF] BC civielrechtelijk een (eigen) rechtsverhouding zou hebben verkregen in relatie met [F BEDRIJF] acht het Hof dat niet aannemelijk, omdat [B BEDRIJF] BC nu eenmaal geen rechtspersoon is. Het Hof gaat derhalve ervan uit dat het onder 8.11 uitspraak rechtbank bedoelde ‘eigen account’ een subtitel betreft bij [F BEDRIJF] van een rekening van [B BEDRIJF] (hoofdhuis) bij [F BEDRIJF] . De capaciteit bij de clearing kwam aan [B BEDRIJF] (hoofdhuis) toe ( [M. NAAM] onder 2.17).
In het bijzonder ontbreekt het aan vastleggingen omtrent hetgeen voorwerp is geweest van de door belanghebbende gestelde overdracht van activa door [B BEDRIJF] (hoofdhuis) aan de [B BEDRIJF] BC op 11 april 2007. Het Hof wijst in dit verband op hetgeen onder 2.12.1, 2.12.3 tot en met 2.12.5 en 2.13.1 over de informatieverstrekking door belanghebbende is vermeld, hetgeen op zichzelf niet of niet voldoende door belanghebbende is weersproken, behoudens voor zover de inspecteur in zijn onderzoek ervan is uitgegaan dat van de [E BEDRIJF] transactie
Hetgeen belanghebbende ter onderbouwing van haar stellingen inzake de aard en omvang van de activiteiten van [B BEDRIJF] BC naar voren heeft gebracht berust voornamelijk op de (getuigen)verklaringen van [M. NAAM] , [F. NAAM] , [G. NAAM] en [H. NAAM] die eerst tijdens de onderhavige procedure zijn overgelegd respectievelijk afgelegd.
Waar in dit verband gesproken wordt over het ( [E BEDRIJF] ) project, wordt niet alleen gedoeld op de bezitloze verkoop van aandelen [E BEDRIJF] op 2 en 3 mei 2007 (ook wel: de cum/ex transactie), maar op het geheel van werkzaamheden gericht op het realiseren van winst uit hoofde van de cum/ex transactie en de (eventueel) na of in verband met die transactie resterende positie.
Dat de waarde van het [E BEDRIJF] project en het potentieel daarmee te behalen resultaat zou zijn verdisconteerd in de € [GETAL] acht het Hof niet aannemelijk; er is geen enkele vastlegging die daarop wijst. Wel wist belanghebbende reeds eind 2006 dat men [UU BEDRIJF] beter niet kon laten ‘meeprofiteren’ van het [E BEDRIJF] project (zie onder 2.12.6) en wijst ook hetgeen onder 8.6 van de uitspraak rechtbank is vermeld op een reeds in maart 2007 bestaande substantiële verwachting van winst uit hoofde van de [E BEDRIJF] transactie.
Dit oordeel strookt met hetgeen de rechtbank in haar uitspraak onder 47, 48 en 49 ter zake van een eventuele overdracht van know how, strategie en winstpotentie heeft overwogen. Het Hof volgt deze overwegingen van de rechtbank.
gezegd – immers in dat een bezitloze verkoop van aandelen als in het onderhavige geval door een niet in Duitsland aan heffing van dividendbelasting onderworpen instelling mogelijk was; zie bijvoorbeeld de publicatie van [I BEDRIJF] van december 2006, als vermeld onder 2.5. In dit verband gaat het Hof ervan uit dat destijds (en wellicht nog steeds) de kopers in de veronderstelling verkeerden dat de aan hen (in het kader van de bezitloze verkoop over de dividenddatum heen) verstrekte ‘Dividendbescheiniging’ hen recht gaf op verrekening of teruggaaf van de (feitelijk niet-ingehouden) dividendbelasting.
vanwegede invloed van de R-factor bij het einde van de slotauction [GETAL] mln aandelen bezitloos werden verkocht, staat op gespannen voet met: (a) de omstandigheid dat de R-
Dat het leveringsrisico, zoals de rechtbank aannemelijk heeft geacht, het noodzakelijk maakte om op 4 mei 2007 [GETAL] mln aandelen te kopen (waarover hierna meer), acht het Hof niet aannemelijk. In de eerste plaats, omdat het Hof uit onder meer de verklaring van [M. NAAM] begrijpt dat veel zo al niet de meeste transacties via OTC-handel verliepen en daarbij niet de op beursregels gebaseerde leveringstermijn van 2 dagen geldt (zie ook onder 2.4). Deze omstandigheid vindt bevestiging in het antwoord van belanghebbende op (schriftelijke) vraag 7.4 van het Hof, waaruit blijkt dat nog op 8 mei aan de leveringsverplichting werd voldaan. In de tweede plaats omdat reeds op 4 mei 2007 [GETAL] call opties konden worden uitgeoefend, goed voor [GETAL] aandelen [E BEDRIJF] ( [GETALLEN] ), terwijl niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat de aldus te verkrijgen aandelen niet konden worden geleverd; zie ook het antwoord op (schriftelijke) vraag 6 van het Hof en het overzicht op p. 4 van het nader stuk van belanghebbende van 14 juni 2018 als aangehaald onder 4.8.3.
Uit deze gang van zaken blijkt overigens dat op 4 mei 2007 veel meer aandelen zijn verworven (en kennelijk beschikbaar waren) dan nodig was om te voldoen aan de uit de cum/ex transactie voortvloeiende leveringsverplichting. Als daar nog de overige aandelen bij worden betrokken die tot en met 8 mei 2007 door uitoefening van call opties zijn verkregen, dan brengt dit het totaal aantal aandelen [E BEDRIJF] dat belanghebbende in de periode 4 – 8 mei 2007 heeft verkregen op [GETAL] (= [( [GETALLEN] ). Welke van deze aandelen zijn gebruikt om te voldoen aan de uit hoofde van de cum/ex transactie voortvloeiende leveringsverplichting van [GETAL] mln aandelen is niet bekend. Evenmin is bekend – zoals hiervoor in het kader van de deelnemingsvrijstelling al aan de orde is gekomen – op welke (specifieke) momenten die aandelen zijn verkregen en hoe lang ze vervolgens in bezit van belanghebbende zijn geweest. In dit verband acht het Hof het aannemelijk dat [F. NAAM] ( [B BEDRIJF] hoofdhuis) inleentransacties heeft verricht teneinde het leveringsrisico te beperken (zie onder 2.12.8). Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft belanghebbende volgens het Hof niet, althans niet zonder meer, aannemelijk gemaakt dat het voldoen aan de leveringsverplichting voor belanghebbende een ernstig probleem heeft gevormd; wat hiervan verder mag zijn. Voor zover belanghebbende zich heeft bezig gehouden met het beheersen van het leveringsrisico zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt – en daar gaat het bij de toerekeningskwestie vooral om – die tot het oordeel leiden dat [B BEDRIJF] BC/ [M. NAAM] daarop een betekenisvolle invloed heeft gehad dan wel dat dat beheersen haar verantwoordelijkheid was.
Voorts is hierbij van belang dat het aantal aandelen van een bepaald fonds dat bezitloos mocht worden verkocht op grond van regels van EUREX aan een maximum gebonden was, de omvangslimiet waarover [G. NAAM] heeft verklaard en die door hem werd bewaakt; het Hof begrijpt dat dit dezelfde limiet is als de ‘position limit’ waarop een bijlage bij het nader stuk van belanghebbende van 14 juni 2018 betrekking heeft (zie onder 2.15). Als het echter gaat om het gecombineerde aanbod van meerdere aanbieders van bezitloos verkochte aandelen in hetzelfde fonds ontbrak het (naar het Hof de verklaring van [G. NAAM] voor de rechtbank onder pt. 7 begrijpt) aan een dergelijke beperking. Het Hof acht het aannemelijk dat [B BEDRIJF] met een (forse) koersdaling bij het eind van de auction rekening heeft gehouden, zij het dat de uiteindelijke omvang van de koersval haar verwachting dienaangaande mogelijk heeft overtroffen. Daarvan uitgaande is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden dat [M. NAAM] op de koersval een beslissende of betekenisvolle rol heeft gehad.
In de eerste plaats niet, omdat het aantal bezitloos te verkopen aandelen [E BEDRIJF] reeds besloten lag in de bij aanvang van de auction deltaneutraal opgebouwde optiepositie en de in acht te nemen omvangslimiet. Dit is ook in overeenstemming met de verklaring van [G. NAAM] dat het aantal van [GETAL] miljoen aandelen uit berekeningen volgde. Dat er meer aandelen bezitloos zijn verkocht dan konden worden geleverd op basis van de op 3 mei 2007 overeengekomen call optiecontracten en hetgeen bij aanvang van de auction omtrent de koers van [E BEDRIJF] (en de invloed daarvan op de R factor) bekend was, is niet aannemelijk geworden. Voor zover al het aantal bezitloos te verkopen aandelen afhankelijk was van de R
factor bij het einde van de auction, is niet aannemelijk geworden dat deze tijdens de auction kon worden bepaald. Als het gaat over de verkopen tijdens de auction heeft [G. NAAM] het in zijn verklaring voor de rechtbank dan ook over de R-factor, zoals gebaseerd op de laatst gehandelde prijs vóór de auction; die koers was tijdens de auction ook voor [M. NAAM] een gegeven.
In de tweede plaats niet, vanwege de aanwezigheid tijdens de auction (realtime) van onder meer [G. NAAM] en [B NAAM] door middel van een skype-verbinding, terwijl [M. NAAM] tijdens de slotauction in het kantoor van [B BEDRIJF] BC werd gesecondeerd door [U NAAM] . Gegeven deze gang van zaken, het belang van de [E BEDRIJF] transactie voor [B BEDRIJF] (de grootste in haar geschiedenis) en de hiërarchische relatie van [M. NAAM] ten opzichte van de overige (skype-) aanwezigen, acht het Hof het niet aannemelijk dat [M. NAAM] ter zake van het aantal en de timing van de tijdens de auction (bezitloos) verkochte aandelen zelfstandig heeft gehandeld, althans dat hij daarbij niet mede afhankelijk is geweest van de instemming van één of meer van de overige leden van het projectteam [E BEDRIJF] .
In dit verband merkt het Hof nog op dat [M. NAAM] zich niet kan herinneren of hij tijdens het skypen op 3 mei 2007 vanuit Amsterdam een bevestiging of akkoord heeft gevraagd (zie onder 2.17). De verklaring van [M. NAAM] in eerste aanleg over zijn rol tijdens de auction is evenmin erg duidelijk.
kopenen/of
uitoefenen. Dat het initiatief tot het maken van deze afweging bij [M. NAAM] lag is niet aannemelijk geworden. Ook bij deze afweging heeft – naar het Hof aannemelijk acht – risico-analyse een belangrijke rol gespeeld. Weliswaar beschikte belanghebbende met haar bezit aan uit te oefenen opties, gelet op de koers van de aandelen [E BEDRIJF] vóór de auction en de daaruit voortvloeiende R-factor, over voldoende rechten op aandelen om aan haar leveringsverplichting te voldoen, maar – zo begrijpt het Hof
dagenna 3 mei 2007 zijn gekocht, gaat het Hof ervan uit dat de [GETAL] mln aandelen op 4 mei 2007 zijn gekocht, tegen een oplopende koers en profiterend van de aanvankelijk lage openingskoers (lager dan de uitoefenprijs van de call opties), en voorts dat die aandelen op 8 mei 2007 konden worden geleverd (zie onder 2.16).
kopenen/of
uitoefenenblijkt uit de verklaring van [G. NAAM] voor het Hof, dat daarover op 4 mei 2007, vóór het openen van de beurs, overleg is geweest tussen [M. NAAM] , [F. NAAM] , [B NAAM] en hemzelf.
Dit overleg ging in het bijzonder over hoe gebruik te maken van de lage koers en hoe te anticiperen op het risico van een short squeeze. Er was hoop dat de lage koers niet onmiddellijk omhoog zou vliegen, aldus [G. NAAM] . Dit overleg leidde ertoe dat bij het openen van de beurs (XETRA) op 4 mei 2007, stap voor stap, [GETAL] mln aandelen werden gekocht. Hetgeen over het
zelfstandigfunctioneren van [M. NAAM] is verklaard, acht het Hof niet voldoende specifiek te relateren aan het
kopenen/of
uitoefenenop 4 mei 2007. Gelet ook op de betrokkenheid van het projectteam op 4 mei 2007 en de verantwoordelijkheid van dat team voor de [E BEDRIJF] transactie, ook na 11 april 2007, is belanghebbende er naar het oordeel van het Hof niet in geslaagd aannemelijk te maken dat [M. NAAM] op 4 mei 2007 de beslissing om [GETAL] mln aandelen [E BEDRIJF] te kopen, zonder beslissende invloed van het projectteam, zelfstandig heeft genomen. Dat [M. NAAM] die koop in tranches mogelijk heeft uitgevoerd, acht het Hof in dit verband van ondergeschikt belang.
In dit verband stelt het Hof voorop dat ook indien deze stelling gegrond is, dat niet afdoet aan hetgeen hiervoor is overwogen omtrent (het beheersen van) de met de [E BEDRIJF] transactie verband houdende risico’s. De stelling dat [M. NAAM] over een persoonsgebonden netwerk van brokers beschikte en dat dit een wezenlijke winstgenererende factor zou zijn geweest, berust uitsluitend op hetgeen daarover achteraf door [M. NAAM] , [F. NAAM] , [G. NAAM] en [H. NAAM] is verklaard. De inspecteur heeft deze stelling gemotiveerd betwist, onder meer door erop te wijzen dat naast de naam van [M. NAAM] ook de namen van andere traders op broker-confirmations van [E BEDRIJF] trades voorkomen. Hiervoor is door belanghebbende als verklaring gegeven dat de specifieke naam van de trader met wie de trade was aangegaan er voor de broker niet toe deed, als het maar een naam was die volgens het systeem van de broker bij – in dit geval – [B BEDRIJF] behoorde (zie onder 2.13.2). Naar het oordeel van het Hof steunen deze verklaringen de betwisting door de inspecteur van het belang van het persoonlijk brokernetwerk van [M. NAAM] . Voor de brokers maakte het kennelijk niet uit welke naam zij op het confirmation sheet vermeldden, als het maar een medewerker was van het bedrijf waarmee de transactie was aangegaan. Dit betekent dat uit de broker confirmatie niet kan worden afgeleid wie – en dat geldt ook voor [M. NAAM] – daadwerkelijk de transactie met de broker heeft verricht. Uit het onder 2.12.2 vermelde bericht van 23 maart 2007 van [BANK NAAM 4] aan [U NAAM] – en doorgezonden naar [B NAAM] – is af te leiden dat het contact met de brokers niet exclusief was verbonden met de persoon [M. NAAM] als belanghebbende heeft gesteld, omdat blijkens dat bericht het contact over een bepaalde transactie via [U NAAM] liep (in persoonlijk tot hem gerichte bewoordingen). Anders dan [M. NAAM] heeft verklaard is de rol van [U NAAM] in het kader van de [E BEDRIJF] transactie kennelijk niet nihil geweest; zoals voorts blijkt uit zijn aanwezigheid in Curaçao tijdens de auction en hetgeen [H. NAAM] daarover voor de rechtbank heeft verklaard.
De verdeling van dit bedrag over het dividendbelastingresultaat en het handelsresultaat is tussen partijen in geschil. Naar het oordeel van het Hof kunnen aan het onderscheid tussen het dividendbelastingresultaat en handelsresultaat geen conclusies worden verbonden als het gaat om de toerekening van het [E BEDRIJF] resultaat aan [B BEDRIJF] (hoofdhuis) en [B BEDRIJF] BC.
Daar komt bij dat het Hof, op grond van hetgeen hiervoor onder 4.17.7.9 tot en met 4.17.7.20 is overwogen, aannemelijk acht dat het [E BEDRIJF] resultaat in vergaande mate besloten ligt in beslissingen die tot en met 4 mei 2007 door [B BEDRIJF] hoofdhuis zijn genomen. Dit oordeel vindt bevestiging in de brief van [BELASTINGADVIESKANTOOR 1] aan de inspecteur van 22 augustus 2008 waarin is vermeld dat op 4 mei 2007 een resultaat van circa [BEDRAG] was behaald (zie onder 2.14.1), alsmede (dienovereenkomstig) in het onder 2.14.2 vermelde Netliq/P&L overzicht. Voor zover, desalniettemin, gronden aannemelijk zijn te achten die tot een splitsing van het [E BEDRIJF] resultaat in een vóór en na 4 mei 2007 behaald resultaat nopen, zijn naar het oordeel van het Hof geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan het handelsresultaat overigens (meer dan door de inspecteur in aanmerking is genomen) aan [B BEDRIJF] BC zou zijn toe te rekenen. Hiervan uitgaande kan voor de toerekening van het [E BEDRIJF] resultaat aan hoofdhuis en vaste inrichting een splitsing van dat resultaat in een cum ex-resultaat en een handelsresultaat, in het midden blijven. Evenzo kan in het
midden blijven of uitsluitend het cum ex-resultaat (het dividendbelastingarbitragevoordeel) – zoals de inspecteur stelt – circa [BEDRAG] heeft bedragen dan wel – zoals belanghebbende stelt – circa [BEDRAG]
Slotsom4.18. Samenvattend heeft de onderhavige zaak betrekking op een market maker die zich in 2007 heeft bezig gehouden met een cum/ex transactie in aandelen in het Duitse beursfonds [E BEDRIJF] . Deze transactie was primair gericht op het realiseren van een voordeel doordat belanghebbende niet verplicht was dividendbelasting in te houden en aan de Duitse fiscus af te dragen, terwijl haar wederpartij, de kopers van door belanghebbende bezitloos verkochte aandelen, kennelijk in de veronderstelling verkeerden recht te hebben op verrekening/ teruggaaf door de Duitse fiscus van op een dividendvervangende betaling betrekking hebbende dividendbelasting. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het aldus door haar behaalde resultaat van ruim [BEDRAG] niet in Nederland kan worden belast, omdat daarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is en omdat het is toe te rekenen aan een Antilliaanse vaste inrichting. Het hiervoor overwogene leidt evenwel tot de slotsom dat ter zake van het [E BEDRIJF] resultaat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is en dat van dat resultaat niet meer aan de Antilliaanse vaste inrichting kan worden toegerekend dan het bedrag van [BEDRAG] dat de inspecteur in aanmerking heeft genomen. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd en dat – doende wat de rechtbank had behoren te doen – het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond zal worden verklaard.
6.6. Kosten
7.Beslissing
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond.