Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:BY8155

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/01043
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.157 Wet IB 2001Art. 2 lid 5 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt weigering VAR-DGA voor commissiewerkzaamheden niet voor rekening en risico BV

Belanghebbende, tevens bestuurder en aandeelhouder van een BV, verrichtte commissiewerkzaamheden voor een gemeente en vroeg een VAR-DGA aan. De Inspecteur weigerde deze verklaring omdat de werkzaamheden niet voor rekening en risico van de BV zouden zijn.

De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de werkzaamheden strikt persoonlijk zijn en niet voor rekening en risico van de BV plaatsvinden. Het Hof vond dat de BV slechts factureert, maar de persoonlijke aard van de werkzaamheden blijft bepalend.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en verklaart het cassatieberoep ongegrond. De Hoge Raad benadrukt dat de werkzaamheden zo verknocht zijn aan de persoon van belanghebbende dat alleen hij als contractpartij kan worden gezien, waardoor de VAR-DGA terecht is geweigerd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de weigering van de VAR-DGA.

Uitspraak

11 januari 2013
Nr. 12/01043
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te `s-Hertogenbosch van 13 januari 2012, nr. 11/00057, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 3.157, lid 1, Wet IB 2001 betreffende een arbeidsrelatie.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij beschikking van de Inspecteur van 7 juni 2007 is beslist dat de door belanghebbende genoten voordelen uit de door hem verrichte werkzaamheden in de bezwarencommissie van de (voormalige) gemeente Q voor het jaar 2007 worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 10/742) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur en de beschikking vernietigd en de beschikking nader vastgesteld.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en, naar de Hoge Raad verstaat, het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is naast zijn voltijdse dienstverband bij een scholengemeenschap onder meer lid van de bezwaarschriftencommissie van de (voormalige) gemeente Q. Deze commissie behandelt bezwaarschriften en brengt over de afhandeling daarvan aan het college van burgemeester en wethouders advies uit (hierna: de commissiewerkzaamheden). Het college van burgemeester en wethouders beslist vervolgens op de bezwaarschriften.
3.1.2. Op 12 december 2006 heeft belanghebbende alle aandelen verworven in A B.V. (hierna: de BV). Belanghebbende is enig bestuurder van deze vennootschap. De BV heeft als doelomschrijving, voor zover van belang, organisatiebureau, (juridisch) adviesbureau en handelsonderneming. Ter zake van de door belanghebbende verrichte commissiewerkzaamheden heeft de BV facturen met omzetbelasting ingediend bij de gemeente. Betaling van deze facturen heeft plaatsgevonden aan de BV.
3.1.3. Bij brief van 13 januari 2007 heeft belanghebbende een aanvraag ingediend voor de afgifte van een verklaring arbeidsrelatie (hierna: VAR) voor het jaar 2007. Op het aanvraagformulier heeft belanghebbende zijn inkomsten uit de commissiewerkzaamheden waarvoor een VAR werd gevraagd, beoordeeld als 'inkomsten uit werkzaamheden die ik als directeur-grootaandeelhouder verricht voor rekening en risico van mijn besloten vennootschap' (VAR-DGA).
3.1.4. De Inspecteur heeft met dagtekening 15 mei 2007 op belanghebbendes aanvraag een beschikking VAR-loon afgegeven. Met dagtekening 7 juni 2007 heeft de Inspecteur deze beschikking op eigen initiatief herzien tot een waarbij de voordelen uit de commissiewerkzaamheden worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden (VAR-ROW).
3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende ter zake van de commissiewerkzaamheden in aanmerking komt voor een VAR-DGA. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord en daartoe overwogen dat zowel uit de tekst van artikel 3.157 Wet IB 2001, als uit de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, kan worden afgeleid dat een belastingplichtige met een aanmerkelijk belang, die een VAR-DGA wenst ter zake van werkzaamheden welke voortvloeien uit een arbeidsrelatie tussen deze belastingplichtige en de opdrachtgever aan de vennootschap waarin de belastingplichtige aanmerkelijk belanghouder is, slechts voor een dergelijke verklaring in aanmerking komt indien deze werkzaamheden voor rekening en risico komen van de desbetreffende vennootschap. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de commissiewerkzaamheden niet plaatsvinden voor rekening en risico van de BV, maar voor rekening en risico van belanghebbende zelf.
Het Hof heeft daartoe overwogen dat uit de stukken van het geding en hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard, is af te leiden dat belanghebbende strikt op persoonlijke titel is benoemd in de bezwaarschriftencommissie, dat deze benoeming voortvloeit uit de persoonlijke kwaliteiten die belanghebbende bezit, alsmede dat de commissiewerkzaamheden ook slechts door hem persoonlijk kunnen worden verricht, en geoordeeld dat onder deze omstandigheden de commissiewerkzaamheden niet plaatsvinden voor rekening en risico van de BV, maar voor rekening en risico van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof doen hieraan niet af de omstandigheden dat de BV de gemeente de door belanghebbende verrichte werkzaamheden factureert (met omzetbelasting) en betaling terzake plaatsvindt aan de BV, noch dat voor de werkzaamheden die belanghebbende in andere commissies verricht (mogelijk) wel een VAR-DGA zou kunnen worden gegeven.
3.3. Het middel richt zich tegen de hiervoor in 3.2 vermelde oordelen met een betoog dat in de kern inhoudt dat die oordelen zich niet verdragen met het bepaalde in artikel 2, lid 5, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, ingevolge welke bepaling de BV wordt geacht haar onderneming te drijven met behulp van haar gehele vermogen, dat artikel 3.157 Wet IB 2001 ziet op werkzaamheden waarbij de BV niet als rechtstreekse contractspartij betrokken is en dat indien aan de ondernemerscriteria wordt voldaan de werkzaamheden geacht kunnen worden te zijn verricht voor rekening en risico van de BV.
Met zijn hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de werkzaamheden zozeer zijn verknocht met de persoon van belanghebbende dat slechts belanghebbende in persoon kan worden aangemerkt als degene jegens wie de gemeente als opdrachtgever optreedt en dat hetgeen uit de opdracht voortvloeit ook bij uitsluiting hem aangaat. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht is te bestrijden. Aan dat oordeel heeft het Hof terecht de gevolgtrekking verbonden dat de Inspecteur terecht heeft geweigerd de VAR-DGA af te geven. Hetgeen het middel aanvoert stuit hierop af. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.H.W.M. Sterk als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2013.