ECLI:NL:HR:2013:BY8591
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake toelating schuldsaneringsregeling
In deze zaak betrof het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling (WSNP) op grond van artikel 288 lid 1 Faillissementswet Pro. De verzoeker was het niet eens met het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 november 2012, waarin het verzoek was afgewezen.
De verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. De Procureur-Generaal adviseerde echter het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat de verzoeker onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer M.A. Loth.
Deze beslissing betekent dat de eerdere uitspraak van het gerechtshof in stand blijft en dat de verzoeker niet wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan cassatiemiddelen.