ECLI:NL:HR:2013:BY8594

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 maart 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/05340
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken belang en goede trouw in WSNP-toelatingsverzoek

In deze zaak betrof het een verzoek tot toelating tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). De rechtbank Rotterdam wees het verzoek af wegens het ontbreken van goede trouw en de onaannemelijkheid van de toestand dat de verzoeker niet meer zou kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Het gerechtshof te 's-Gravenhage bevestigde deze afwijzing in hoger beroep.

De verzoeker stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof. De Procureur-Generaal adviseerde de Hoge Raad om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat de verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest bevestigt het belang van goede trouw en aannemelijkheid bij toelatingsverzoeken tot de WSNP en benadrukt de restrictieve toetsing door de Hoge Raad bij cassatieberoepen in dergelijke zaken.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van voldoende belang en goede trouw.

Uitspraak

1 maart 2013
Eerste Kamer
12/05340
TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 393560/FT-EA 12.27 van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2012;
b. het arrest in de zaak 200.108.703/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 november 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt zich tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op voet van art 80a RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels, als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 maart 2013.