ECLI:NL:HR:2013:BZ0731
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- C.B. Bavinck
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Oprentingslast niet aftrekbaar bij earn-outregeling in vennootschapsbelasting
Belanghebbende kocht in 2006 alle aandelen in een deelneming tegen een koopprijs die bestond uit een basisdeel en een resultaatafhankelijk deel, met een minimum- en maximumbedrag. De minimumkoopprijs kon worden aangepast op basis van het nettoresultaat van het jaar 2006 en de koopprijs was mede afhankelijk van de arbeidsrelatie van bepaalde personen.
Belanghebbende nam de deelneming op in haar administratie inclusief de contante waarde van toekomstige nabetalingen, waarbij zij een oprentingslast verrekende. De Inspecteur weigerde deze oprentingslast in aftrek toe te staan. Zowel de Rechtbank als het Hof verklaarden het beroep ongegrond en oordeelden dat sprake was van een earn-outregeling waarbij waardeveranderingen van de verplichting buiten de winstberekening moeten blijven.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel, verwijzend naar artikel 13, lid 1, tweede volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De regeling beoogt waardeveranderingen van rechten op termijnen waarvan aantal of omvang nog niet vaststaat buiten de winst te houden, ook als er een minimumkoopprijs is overeengekomen. De oprentingslast valt onder deze regeling en is daarom niet aftrekbaar.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat oprentingslasten niet aftrekbaar zijn bij een earn-outregeling.