ECLI:NL:HR:2013:BZ2120

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/05505
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 aanhef en onder c en d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij tussentijdse beëindiging WSNP

In deze zaak gaat het om een verzoekster die in cassatie is gegaan tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam betreffende de tussentijdse beëindiging van haar schuldsanering op grond van niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden.

De procedure in feitelijke instanties bestond uit een vonnis van de rechtbank Amsterdam en een arrest van het gerechtshof Amsterdam. Tegen het arrest van het hof stelde verzoekster beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Procureur-Generaal adviseerde de Hoge Raad om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO), omdat verzoekster onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

5 april 2013
Eerste Kamer
12/05505
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. W. Römelingh.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer 10/721-R van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2012;
b. het arrest in de zaak 200.113.067/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 5 april 2013.