ECLI:NL:HR:2013:BZ2120
Hoge Raad
- Cassatie
- F.B. Bakels
- A.H.T. Heisterkamp
- C.E. Drion
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij tussentijdse beëindiging WSNP
In deze zaak gaat het om een verzoekster die in cassatie is gegaan tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam betreffende de tussentijdse beëindiging van haar schuldsanering op grond van niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden.
De procedure in feitelijke instanties bestond uit een vonnis van de rechtbank Amsterdam en een arrest van het gerechtshof Amsterdam. Tegen het arrest van het hof stelde verzoekster beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Procureur-Generaal adviseerde de Hoge Raad om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO), omdat verzoekster onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2013.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.