ECLI:NL:HR:2013:BZ2865
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt vonnis over compensatie passagiers bij vluchtvertraging wegens buitengewone omstandigheden
De passagiers hadden een vlucht geboekt van Gran Canaria naar Rotterdam die vertraging opliep door een zieke passagier aan boord. Zij vorderden compensatie op grond van de EU-Verordening 261/2004 wegens een vertraging van meer dan drie uur.
De kantonrechter kende de compensatie toe, conform het Sturgeon-arrest van het HvJEU, maar liet het verweer van Transavia dat sprake was van buitengewone omstandigheden buiten beschouwing. Transavia stelde dat de vertraging veroorzaakt werd door omstandigheden die ondanks alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, zoals bedoeld in art. 5 lid 3 van Pro de Verordening.
De Hoge Raad oordeelde dat het verweer onterecht was gepasseerd en dat de kantonrechter dit had moeten betrekken in zijn oordeel. Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. De beslissing over de proceskosten in cassatie werd gereserveerd.
De Hoge Raad wees tevens op eerdere prejudiciële uitspraken van het HvJEU die relevant waren voor de zaak, maar oordeelde dat het niet stellen van prejudiciële vragen door de kantonrechter niet tot cassatie kon leiden.
Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof voor verdere behandeling waarbij het verweer van buitengewone omstandigheden betrokken moet worden.