ECLI:NL:HR:2013:BZ2868

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 mei 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/00514
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 6 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 80 lid 1 aanhef en onder a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vonnis over compensatie passagiers bij vluchtvertraging wegens buitengewone omstandigheden

De passagiers van Transavia vorderden compensatie van €250 per persoon wegens een vertraging van meer dan drie uur op een vlucht van Salzburg naar Rotterdam op 23 januari 2009. De vertraging was veroorzaakt door hevige sneeuwval die leidde tot een late aankomst van het vliegtuig en sluiting van de luchthaven.

De kantonrechter had de compensatie toegekend conform de Verordening (EG) nr. 261/2004, maar liet het verweer van Transavia dat sprake was van buitengewone omstandigheden buiten beschouwing. Transavia stelde dat de vertraging het gevolg was van omstandigheden die ondanks alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, zoals bedoeld in art. 5 lid 3 van Pro de Verordening.

De Hoge Raad oordeelde dat het verweer ten onrechte door de kantonrechter was gepasseerd en vernietigde het vonnis. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling, waarbij het verweer van Transavia betrokken moet worden. De kosten van het cassatieproces werden voorlopig gereserveerd.

Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling waarbij het verweer van buitengewone omstandigheden betrokken wordt.

Uitspraak

3 mei 2013
Eerste Kamer
12/00514
RM/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
TRANSAVIA AIRLINES C.V.,
gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
wonende te [woonplaats], België,
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
4. [Verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
5. [Verweerster 5],
wonende te [woonplaats],
6. [Verweerster 6],
vertegenwoordigd door haar wettelijke vertegewoordiger(s),
wonende te [woonplaats],
7. [Verweerder 7],
vertegenwoordigd door zijn wettelijke vertegewoordiger(s),
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Transavia en [verweerder] c.s.
1. Het geding
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenarrest van 15 juni 2012, LJN BW9933.
Transavia heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, afgezien van een nadere schriftelijke toelichting.
De aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging en verwijzing.
2. Beoordeling van het middel
2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerder] c.s. (hierna ook: de passagiers) hebben bij Transavia een vlucht (met vluchtnummer HV 5606) van Salzburg (Oostenrijk) naar Rotterdam geboekt. Op basis van de overeenkomst tussen partijen zou Transavia de passagiers op 23 januari 2009 om 21.15 uur lokale tijd vanuit Salzburg naar Rotterdam vervoeren per vliegtuig.
(ii) De passagiers hebben zich op tijd en in het bezit van de juiste reisdocumenten gemeld bij de incheckbalie op het vliegveld.
(iii) Als gevolg van hevige sneeuwval (in Innsbruck) heeft het vliegtuig van voormelde vlucht bij een eerdere vlucht op 23 januari 2009 vertraging opgelopen, waardoor het twee uur te laat in Salzburg arriveerde.
De luchthaven in Salzburg werd gesloten voordat het vliegtuig kon vertrekken.
(iv) De passagiers hebben zorg en bijstand gekregen, waaronder een hotelovernachting, eten en drinken.
(v) De passagiers zijn op 24 januari 2009 om 11.20 uur lokale tijd alsnog met Transavia naar Rotterdam gevlogen.
2.2 De passagiers vorderen in dit geding betaling van, in hoofdsom, € 250,-- per passagier op grond van de compensatieregeling, bedoeld in art. 6 en Pro 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten - hierna: de Verordening - wegens de hiervoor in 3.1 onder (iii) en (v) bedoelde vertraging, die meer dan drie uren belopen heeft.
2.3 De kantonrechter heeft, zich conformerend aan een uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam, die zich op zijn beurt richtte naar het 'Sturgeon-arrest' van het HvJEU (vermeld in rov. 3.2 van het tussenarrest), geoordeeld dat de in art. 7 van Pro de Verordening bedoelde compensatie voor passagiers van geannuleerde vluchten ook verschuldigd is aan passagiers die tijdverlies door een vertraging van drie uren of meer hebben geleden.
2.4.1 Transavia bestrijdt het vonnis van de kantonrechter met een uit twee onderdelen bestaand middel. Onderdeel 1 klaagt dat de kantonrechter, door te weigeren prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen, althans zijn uitspraak aan te houden in afwachting van een vijftal in het middel vermelde prejudiciële procedures die betrekking hebben op de uitleg van de Verordening op het in het geding zijnde punt, heeft gehandeld in strijd met een fundamentele verplichting van Unierecht.
2.4.2 In het midden kan blijven of deze klacht afstuit op het bepaalde in art. 80 lid 1 RO Pro op de grond dat deze niet kan worden beoordeeld zonder daarin de juistheid van de rechtsopvattingen van de kantonrechter te betrekken ter zake van de noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen of tot een zodanige aanhouding. Het onderdeel kan bij gebrek aan belang in elk geval niet tot cassatie leiden, nu het HvJEU inmiddels, bij arrest van 23 oktober 2012, LJN BY2173, NJ 2013/4, uitspraak heeft gedaan in de in het tussenarrest van de Hoge Raad van 15 juni 2012 bedoelde gevoegde zaken C-581/10 en C-629/10.
2.5.1 Onderdeel 2 betoogt dat het bestreden vonnis niet de in art. 80 lid 1 onder Pro a RO bedoelde gronden bevat doordat de kantonrechter in het geheel niet is ingegaan op het verweer van Transavia dat bij de vertraging sprake is geweest van bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 5 lid 3 van Pro de Verordening. Een dergelijke klacht valt onder art. 80 lid Pro 1, aanhef en onder a, RO.
2.5.2 Deze klacht slaagt. Transavia heeft zich verweerd met onder meer de stelling dat de vertraging, veroorzaakt door de omstandigheden als vermeld hiervoor in 3.1 onder (iii), aldus het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, als bedoeld in art. 5 lid 3 van Pro de Verordening. Dit verweer is door de kantonrechter onbesproken gelaten. Nu dit verweer, bij gegrondbevinding, tot afwijzing van de vordering moet leiden, had de kantonrechter het in zijn overwegingen dienen te betrekken.
2.6 Het bestreden eindvonnis kan niet in stand blijven. Nu de passagiers het passeren van het verweer niet hebben uitgelokt of verdedigd, zullen de proceskosten in cassatie worden gereserveerd.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem van 28 december 2011;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;
begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van Transavia op € 893,46 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, en aan de zijde van de passagiers op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter, de vice-president F.B. Bakels en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 3 mei 2013.