ECLI:NL:HR:2013:BZ2908

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
13/00406
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 aanhef en onder f Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in WSNP-zaak wegens onvoldoende belang

In deze zaak betreft het een verzoek tot cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake de tussentijdse beëindiging van de schuldsanering op grond van het feit dat schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de procedure en behandelt het cassatieberoep dat door de verzoeker is ingesteld. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De advocaat van de verzoeker heeft hierop gereageerd, maar de Hoge Raad oordeelt dat de klachten onvoldoende zijn om behandeling in cassatie te rechtvaardigen. Dit is omdat de verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

12 april 2013
Eerste Kamer
13/00406
RM/DH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 11/596 R van de rechtbank Arnhem van 21 september 2012;
b. het arrest in de zaak 200.114.125 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 6 maart 2013 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2.2 en 2.3).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.