ECLI:NL:HR:2013:BZ2971

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/03982
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 477a Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging arrest hof inzake beslagrecht en devolutieve werking hoger beroep

In deze zaak stond de toepassing van het beslagrecht en de devolutieve werking van hoger beroep centraal. De zaak betrof een verklaringprocedure op grond van artikel 477a Rv. De feiten en eerdere vonnissen en arresten van rechtbank en gerechtshof zijn aan het arrest gehecht en vormden de basis van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiser verworpen. De klachten in het cassatieberoep konden niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad oordeelde dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelde eiser tevens in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd en bleef de eerdere rechtspraak in stand. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Hoge Raad op 5 april 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

5 april 2013
Eerste Kamer
11/03982
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. E.C. Kerkhoven,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats]
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.K. van der Brugge.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 300519 HA ZA 07-3848 van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 april 2008, 17 september 2008 en 21 januari 2009;
b. de arresten in de zaak 200.029.707/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 augustus 2010 en 15 maart 2011.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [verweerster] mede door mr. M. Drolsbach, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 1 februari 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 2.428,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 5 april 2013.