ECLI:NL:HR:2013:BZ5376

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/01093
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • N. Jörg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn in cassatie zonder rechtsgevolg

In deze strafzaak tegen verdachte werd in cassatie het middel aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. De Hoge Raad oordeelde dat dit middel gegrond was en erkende dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.

Gezien de opgelegde straf van drie maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis, achtte de Hoge Raad het niet noodzakelijk om aan de overschrijding rechtsgevolgen te verbinden. De overige middelen werden verworpen zonder nadere motivering omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 26 maart 2013. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het oordeel dat de redelijke termijn was overschreden, maar verwierp het beroep van verdachte.

Uitkomst: De Hoge Raad constateert overschrijding van de redelijke termijn in cassatie maar verbindt hieraan geen rechtsgevolg en verwerpt het beroep.

Uitspraak

26 maart 2013
Strafkamer
nr. S 11/01093
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 23 februari 2011, nummer 21/001610-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 maart 2013.