ECLI:NL:HR:2013:BZ5568
Hoge Raad
- Herziening
- W.A.M. van Schendel
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- J. Wortel
- N. Jörg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsaanvraag wegens onvoldoende nieuw bewijs bij poging tot doodslag
De zaak betreft een herzieningsaanvraag tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de aanvrager is veroordeeld voor poging tot doodslag en diefstal. Het hof had geoordeeld dat het slachtoffer de Nederlandse taal voldoende machtig was om zonder tolk te worden gehoord, ondanks dat het slachtoffer in eerste aanleg had verklaard de taal niet goed te beheersen.
De herzieningsaanvraag betoogt dat het hof niet tot die conclusie had mogen komen en dat de verklaringen van het slachtoffer ten onrechte als bewijs zijn gebruikt, mede gelet op schriftelijke verklaringen van derden die het taalniveau van het slachtoffer betwijfelen. De Hoge Raad stelt dat deze nieuwe verklaringen onvoldoende zijn om het oordeel van het hof te weerleggen en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het slachtoffer de Nederlandse taal voldoende machtig was.
Verder benadrukt de Hoge Raad dat sinds 1 oktober 2012 artikel 464a Sv geldt, waardoor rechters die eerder over het cassatieberoep hebben beslist, bij voorkeur niet deelnemen aan beslissingen over herzieningsaanvragen in dezelfde zaak. In deze zaak hebben de rechters die het cassatieberoep behandelden niet deelgenomen aan de beslissing over de herzieningsaanvraag.
De Hoge Raad concludeert dat het aangevoerde nieuwe bewijs geen ernstig vermoeden wekt dat het onderzoek anders had moeten verlopen en wijst de herzieningsaanvraag dan ook af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de herzieningsaanvraag af wegens onvoldoende nieuw bewijs om het eerdere oordeel te wijzigen.