ECLI:NL:HR:2013:BZ6506

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/02025
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 440 SvArt. 351 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging strafoplegging wegens onbegrijpelijke motivering opzetheling

De verdachte werd door het Hof Amsterdam veroordeeld voor openlijke geweldpleging in vereniging en tevens veroordeeld voor opzetheling, waarbij het hof beide feiten als ernstig bestempelde en dit meenam in de strafoplegging. De verdachte was veroordeeld tot een geldboete van € 400,- subsidiair 8 dagen hechtenis.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onbegrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het feit van opzetheling werd meegewogen bij de strafoplegging, terwijl dit feit niet ten laste was gelegd en door de verdachte niet was erkend. Het hof had dit feit slechts mogen betrekken indien de verdachte dit had erkend, wat niet het geval was.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof geen verband heeft gemotiveerd tussen de opzetheling en de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging, waardoor de motivering van de strafoplegging onvoldoende is. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat de strafoplegging betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de straf.

Het beroep van de verdachte wordt voor het overige verworpen. De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 9 april 2013.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onbegrijpelijke motivering en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

9 april 2013
Strafkamer
nr. S 11/02025
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 19 april 2011, nummer 21/003416-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt over de motivering van de strafoplegging.
2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij op 20 september 2007 te Utrecht met anderen, op of aan de openbare weg, de Stationstraverse, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meerdere malen schoppen/trappen tegen het lichaam van [slachtoffer] en het op de grond gooien van [slachtoffer]."
2.3. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als (naar de Hoge Raad begrijpt:) "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" en de verdachte te dier zake veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 400,-, subsidiair 8 dagen hechtenis. Het Hof heeft die strafoplegging als volgt gemotiveerd:
"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte maakte deel uit van een groepje vriendinnen, dat openlijk geweld heeft gepleegd door [slachtoffer] aan te vallen en te slaan en te schoppen. Bovendien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling door het uit de gestolen tas van [slachtoffer] weggenomen paspoort bij zich te steken en mee te nemen zonder dat terug te geven. Het gaat om twee ergerlijke en niet te accepteren feiten waarvan het eerste veruit het zwaarste weegt.
Bij de straftoemeting is voorts gelet op een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict.
Met het oog op het tijdsverloop van de totale procedure (waarbij de redelijke termijn niet is overschreden) zal het hof de strafsoort aanhouden, die door de politierechter is opgelegd. Het hof is echter van oordeel dat - gelet op de ernst van het feit en in weerwil van dat tijdsverloop - (toch) een verdubbeling van de door de politierechter opgelegde geldboete passend en geboden is."
2.4. Blijkens deze overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging alsmede aan opzetheling, volgens het Hof "twee ergerlijke en niet te accepteren feiten". Dit oordeel is op grond van het navolgende niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Indien het Hof is uitgegaan van de opvatting dat in het kader van de strafoplegging steeds ten bezware van de verdachte acht mag worden geslagen op een ad informandum gevoegd - dus niet tenlastegelegd - feit, heeft het miskend dat zulks in een geval als het onderhavige, waarin de verdachte ter terechtzitting van het Hof is verschenen, slechts is geoorloofd indien de verdachte dat feit aldaar heeft erkend, hetgeen blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep te dezen niet het geval is.
Indien het Hof de opzetheling heeft vermeld als een nadere uitwerking van de in aanmerking genomen omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging is begaan, is die redengeving zonder nadere - doch ontbrekende - motivering onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet het kennelijk door het Hof bedoelde verband tussen dat - door de verdachte niet erkende - feit en het bewezenverklaarde misdrijf kan worden afgeleid (vgl. HR 27 november 2001, LJN AD4286).
Indien het Hof de opzetheling heeft vermeld als een nadere uitwerking van "de persoonlijke omstandigheden van de verdachte", is de redengeving - zonder nadere, doch ontbrekende motivering - eveneens onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte voor dat feit niet onherroepelijk is veroordeeld.
2.5. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 9 april 2013.