ECLI:NL:HR:2013:BZ6802
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over navorderingsaanslagen en boeten, verwijst zaak terug
Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 1991-2000 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en vermogensbelasting, inclusief verhogingen en boeten. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslagen, waarna belanghebbende beroep instelde bij het hof. Het hof vernietigde enkele beslissingen, schold verhogingen gedeeltelijk kwijt en verminderde boeten, maar verklaarde het beroep voor het overige ongegrond.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest, terwijl de Staatssecretaris van Financiën incidenteel cassatieberoep instelde. De Hoge Raad verklaarde het incidentele beroep ongegrond, maar gaf belanghebbende deels gelijk door het hofarrest te vernietigen en verwees de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling met inachtneming van haar arrest.
De Hoge Raad oordeelde onder meer dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de gehanteerde modelmatige schatting met toepassing van de 95%-norm en factor 1,5 niet onredelijk was. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ook na sluiting van het onderzoek kan worden ingediend als de termijn niet is nageleefd.
Verder wees de Hoge Raad op de noodzaak dat het verwijzingshof de boeten opnieuw beoordeelt, waarbij moet worden getoetst of deze passend en geboden zijn gelet op de omstandigheden van het geval en eerdere jurisprudentie. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad.