ECLI:NL:HR:2013:BZ6805
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over belastingnavorderingen en boeten, verwijst zaak terug
Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen en boeten opgelegd voor de jaren 1991 tot en met 2000 in de inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting. Het hof vernietigde deels de aanslagen en boeten, maar verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de modelmatige schatting met toepassing van de 95%-norm en factor 1,5 niet onredelijk was. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte het verzoek om heropening van het onderzoek voor immateriële schadevergoeding na sluiting van het onderzoek had geweigerd, omdat de redelijke termijn voor uitspraak was overschreden.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat het hof onvoldoende had onderbouwd of de Inspecteur voor elk jaar het bewijs had geleverd dat belanghebbende het beboetbare feit had begaan en of de boeten passend en geboden waren. Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest, met uitzondering van beslissingen over griffierecht en proceskosten, en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 12 april 2013.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van het arrest.