ECLI:NL:HR:2016:2086

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2016
Publicatiedatum
15 september 2016
Zaaknummer
15/05337
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROWet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam betreffende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over meerdere jaren, alsmede de daarbij behorende boetebeschikkingen en heffingsrente.

Eerder had de Hoge Raad een eerdere uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Gerechtshof Amsterdam. In het onderhavige arrest heeft de Hoge Raad de middelen van belanghebbende onderzocht en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad motiveert dit kort en verwijst naar artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. Er worden geen proceskosten opgelegd. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest is op 16 september 2016 in het openbaar gewezen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

16 september 2016
Nr. 15/05337
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 1 oktober 2015, nrs. 13/00287 en 15/00663 tot en met 15/00679, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1991 tot en met 1995 en 1997 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de over de jaren 1992 tot en met 1996 en 1998 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake verhogingen dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 3 februari 2012 is op het beroep van belanghebbende vernietigd bij arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, nr. 12/01594, ECLI:NL:HR:2013:BZ6805, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.