De zaak betreft een geschil tussen de Staat en een verweerder die in 1996 een hennepveld exploiteerde. Tijdens een gerechtelijk vooronderzoek werd op verzoek van de officier van justitie een doorzoeking verricht waarbij hennepplanten werden in beslag genomen en vernietigd. Verweerder werd strafrechtelijk vervolgd, maar uiteindelijk vrijgesproken omdat de hennep bestemd was voor zaadwinning en niet strafbaar was.
Verweerder vorderde een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door zonder voldoende rechtvaardiging zijn eigendomsrecht te schenden en schadevergoeding voor de vernietigde hennepplanten. De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof oordeelde dat de Staat onrechtmatig had gehandeld en veroordeelde tot schadevergoeding, mede op grond van het égalitébeginsel.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof ten onrechte aansprakelijkheid van de Staat aannam op grond van het égalitébeginsel, omdat verweerder op het moment van het strafvorderlijk optreden nog geen verdachte was, maar later wel als verdachte werd aangemerkt op basis van gedragingen vóór het dwangmiddel. Hierdoor behoort de schade tot het normale maatschappelijke risico van verweerder. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling door het gerechtshof Amsterdam.