Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te Vianen,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
12 juli 2013.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de bank bevoegd was tot executoriale verkoop van onroerende goederen na executoriale beslaglegging door schuldeisers. Tevens werd de uitleg van de algemene voorwaarden van de bank en het lossingsrecht besproken, evenals de vraag of verkoop onder marktwaarde was toegestaan.
De procedure begon bij de rechtbank Dordrecht met vonnissen in maart en augustus 2010, gevolgd door een arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage in december 2011. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, terwijl de banken verstek lieten gaan.
De Advocaat-Generaal adviseerde verwerping van het cassatieberoep op grond van artikel 81 lid 1 RO Pro. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding, die nihil werden begroot aan de zijde van de banken. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Drion, Polak en in het openbaar uitgesproken door Loth op 12 juli 2013.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt in de kosten veroordeeld.