Betrokkene, verblijvend in een psychiatrisch ziekenhuis, heeft cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Utrecht inzake een machtiging tot voortgezet verblijf op grond van de Wet Bopz. Tevens diende hij een herzieningsverzoek in. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, en de Advocaat-Generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring.
De Hoge Raad overwoog dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat betrokkene onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie en na het horen van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De beschikking van de rechtbank Utrecht van 29 november 2012, waarop het cassatieberoep betrekking heeft, is aan de beschikking gehecht. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 12 juli 2013.