Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
21 januari 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak ging het om de vraag of het consultatierecht van een verdachte ook het recht omvat om een advocaat van eigen keuze te raadplegen voorafgaand aan het eerste politieverhoor, terwijl een piketadvocaat reeds aanwezig was. De zaak betrof de uitvoer van tientallen kilo’s softdrugs en bevoorrading van coffeeshops in Groningen.
De verdachte stelde dat zijn consultatierecht was geschonden omdat hij niet voorafgaand aan het politieverhoor zijn voorkeursadvocaat kon raadplegen. De Hoge Raad overwoog dat het consultatierecht, zoals bedoeld in artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet zodanig ruim moet worden uitgelegd dat het ook het recht omvat om een specifieke advocaat voorafgaand aan het verhoor te consulteren als er al een piketadvocaat aanwezig is.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de verdachte en bevestigde hiermee de geldende jurisprudentie dat het consultatierecht niet verder reikt dan het recht op bijstand van een advocaat, zonder aanspraak op een voorkeursadvocaat voorafgaand aan het eerste verhoor. Deze uitspraak draagt bij aan de rechtsontwikkeling omtrent de invulling van het consultatierecht in het strafproces.
Uitkomst: Het beroep van de verdachte wordt verworpen; het consultatierecht omvat niet het recht op consultatie van een voorkeursadvocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor indien een piketadvocaat aanwezig is.