Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
20 mei 2014.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, gewezen bij verstek op 18 februari 2013. Voor het indienen van middelen van cassatie geldt een strikte termijn zoals voorgeschreven in artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft echter niet binnen deze termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het niet naleven van deze termijn. De Hoge Raad heeft dit oordeel gevolgd en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Hierdoor wordt het beroep niet inhoudelijk behandeld.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 20 mei 2014. De beslissing bevestigt het belang van strikte naleving van procesrechtelijke termijnen in cassatieprocedures.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen.