Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 26 februari 2013, nr. 11/00298, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende, eigenaar van een onroerend goed, verkocht in 2006 aandelen en het pand zelf, waarna een herinvesteringsreserve werd gevormd op basis van artikel 3.54 Wet IB 2001. De Inspecteur corrigeerde deze reserve bij de aanslag vennootschapsbelasting, wat door rechtbank en hof werd bevestigd.
Het hof oordeelde dat het besluit tot vervreemding van het pand was genomen vóór de wijziging van het aandeelhouderschap, waardoor artikel 15e Wet Vpb 1969 de vorming van een herinvesteringsreserve uitsluit. Tevens verwierp het hof de toepassing van de ruilarresten in deze context, omdat artikel 15e Wet Vpb slechts een inbreuk maakt op artikel 3.54 Wet IB 2001 en niet op artikel 3.25 Wet IB 2001 (goed koopmansgebruik).
De Hoge Raad bevestigt dat bij toepassing van artikel 3.54 Wet IB 2001 geen ruimte is voor toepassing van de ruilarresten. De wetgever heeft de gedachte achter de ruilarresten geabsorbeerd in deze wettelijke regeling. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard, waarmee het oordeel van het hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.