Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 21 februari 2013, nr. 11/00499, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende had in 2003 en 2004 een herinvesteringsreserve gevormd in verband met de vervreemding van onroerende zaken. In 2004 boekte zij een bedrag van ruim €9,2 miljoen af op vervangende onroerende zaken die zij kocht van dochtervennootschappen van Beheer BV. De aandelen in belanghebbende werden op 9 september 2004 overgedragen aan Beheer BV, waarbij de koop- en transportakten op dezelfde dag werden gepasseerd.
Het geschil betrof de vraag of de herinvesteringsreserve op grond van artikel 15e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan de winst moest worden toegevoegd. Het hof oordeelde dat afboeking pas mogelijk was vanaf het moment dat belanghebbende de economische eigendom van de vervangende onroerende zaken had verkregen, wat volgens het hof niet het geval was op het moment van de aandelenoverdracht.
De Hoge Raad stelde dat goed koopmansgebruik toelaat dat de aanschaffingskosten op de fiscale balans mogen worden geactiveerd vanaf het moment dat verplichtingen tot verwerving zijn aangegaan, dus bij het sluiten van de koopovereenkomsten. Hierdoor mocht de herinvesteringsreserve al bij het sluiten van de koopovereenkomsten worden afgeboekt. Het hof had de subsidiaire stelling van fraus legis onvoldoende behandeld en verwees de zaak terug naar het hof voor nader onderzoek.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en wees het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding af.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.