Belanghebbende kreeg voor 2008 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd door de gemeente Duiven, gebaseerd op de Verordening reinigingsheffingen 2008. Na bezwaar en een vernietigend vonnis van de rechtbank, stelde de heffingsambtenaar hoger beroep in bij het Hof. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de opbrengstlimiet van de afvalstoffenheffing niet was overschreden.
In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof ten onrechte de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet toepaste in plaats van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat het Hof het juiste toetsingskader hanteerde en dat de opbrengstlimiet inhoudt dat de heffing maximaal kostendekkend mag zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen.
Daarnaast was er discussie over de toerekening van 40% van de kosten voor het reinigen van het openbaar gebied aan de afvalstoffenheffing. De Hoge Raad oordeelde dat deze kosten gerechtvaardigd zijn voor zover ze verband houden met het verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen en dat het Hof zijn oordeel hierover niet onjuist heeft gemotiveerd.
De overige middelen werden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe.