Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 2 mei 2013, nr. 10/00594, betreffende een aanslag in de afvalstoffenheffing.
Hoge Raad
Belanghebbende was het niet eens met de aanslag afvalstoffenheffing 2009 van de gemeente Duiven. Na bezwaar en een vernietiging van de aanslag door de rechtbank, stelde de heffingsambtenaar hoger beroep in bij het Hof. Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende cassatie instelde bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of de opbrengst van de afvalstoffenheffing de in de wet milieubeheer gestelde limiet overschreed, waarbij ook de toerekening van kosten voor het reinigen van het openbaar gebied aan de afvalstoffenheffing werd betwist. Het Hof oordeelde dat de opbrengstlimiet niet was overschreden en dat 40% van de kosten voor het reinigen van het openbaar gebied terecht aan de afvalstoffenheffing kon worden toegerekend.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en stelde dat het Hof de juiste wettelijke bepalingen heeft toegepast en dat de motivering voldoende was. De overige middelen van belanghebbende faalden eveneens, zodat het cassatieberoep ongegrond werd verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aanslag afvalstoffenheffing 2009 van de gemeente Duiven blijft rechtmatig.