Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
27 mei 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In cassatie werd aangevoerd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden.
De Hoge Raad oordeelt dat dit middel gegrond is en dat dit leidt tot een vermindering van de opgelegde straf. De straf wordt verminderd tot zeventien maanden en twee weken, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het overige beroep wordt verworpen.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de straf en bevestigt het verder in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 27 mei 2014.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van achttien maanden naar zeventien maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.