ECLI:NL:PHR:2014:429

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2014
Publicatiedatum
27 mei 2014
Zaaknummer
13/04461
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging doodslag met verlaging straf wegens termijnoverschrijding

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag en een gevangenisstraf van achttien maanden opgelegd, waarvan negen maanden voorwaardelijk. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel aan de benadeelde partij toegewezen.

De verdediging stelde in cassatie onder meer vragen over de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal, met name de verklaringen van getuigen en het slachtoffer. Het hof had uitgebreid gemotiveerd waarom het bewijsmateriaal betrouwbaar werd geacht, waarbij het onder meer de verklaringen van getuigen die kort na het incident waren gehoord en medische rapportages betrok. De Hoge Raad oordeelde dat de feitelijke waardering van het hof begrijpelijk was en dat cassatie niet bedoeld is om feitelijke twijfel te zaaien.

Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn in de cassatieprocedure was overschreden, doordat de stukken pas na meer dan negen maanden bij de griffie van de Hoge Raad waren ontvangen. Dit leidde tot een verlaging van de opgelegde straf. De overige middelen van cassatie werden verworpen, zodat de veroordeling in stand bleef met een aangepaste strafmaat.

Uitkomst: Veroordeling voor medeplegen poging tot doodslag met strafverlaging wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 13/04461
Mr. Machielse
Zitting 11 maart 2014
Conclusie inzake:
[verdachte] [1]
1. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 14 november 2012 voor: medeplegen van poging tot doodslag, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Mr. R.M.J. van den Boom, advocaat te Eindhoven, heeft cassatie ingesteld. Mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Helmond, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het tweede middel klaagt over de kwaliteit van het bewijs dat tot verdachtes veroordeling heeft geleid. Meer bepaald gaat het om de verwerping door het hof van het verweer dat het bewijsmateriaal waarop het hof de bewezenverklaring doet steunen onbetrouwbaar is.
3.2. De pleitnota van hoger beroep verwijst kort naar wat in eerste aanleg is aangevoerd, zonder de feitelijke bespreking van de bewijsmiddelen uit eerste aanleg nog eens te herhalen. De advocaat gaat ervan uit dat het hof goede nota heeft genomen van het pleidooi van eerste aanleg en verzoekt het hof de argumenten uit die pleitnota van eerste aanleg als in hoger beroep herhaald en ingelast te beschouwen.
Mondeling heeft de advocaat in hoger beroep daaraan nog het een en ander toegevoegd. Zo heeft hij ervoor gewaarschuwd verklaringen te gebruiken die relatief laat na de gebeurtenissen zijn afgelegd. In het bijzonder hebben de interventies van [betrokkene 8] de betrouwbaarheid van die verklaringen aangetast. Voorts heeft de advocaat erop gewezen dat er naast belastende ook ontlastende verklaringen zijn afgelegd en dat niet duidelijk is waarom enkel waarde moet worden gehecht aan de belastende verklaringen. Uiteindelijk komt het aan op de overtuiging van de rechter. Ontbreekt die overtuiging, dan hoort vrijspraak te volgen, zoals in eerste aanleg is geschied. Er zijn teveel haken en ogen aan de belastende bewijsmiddelen om daaraan overtuigende kracht toe te kennen. Gemeenteraadslid [betrokkene 8] heeft in het onderzoek een rol gespeeld die fnuikend is geweest voor de waarheidsvinding. Dat de getuigen hebben verklaard dat zij door [betrokkene 8] niet zijn beïnvloed, wil nog niet zeggen dat dit echt niet is gebeurd. Het was een zeer hectisch gebeuren van enkele seconden en de vraag is of getuigen daarover betrouwbaar hebben kunnen verklaren. Vervolgens heeft de advocaat ook nog enige verklaringen apart, zij het kort, besproken. Hij wijst erop dat [betrokkene 2] in zijn eerste verklaring verdachte helemaal niet noemt. Later wordt hij door [betrokkene 8] naar de politie gebracht en in zijn dan afgelegde verklaring belast hij verdachte wel. De advocaat vraagt zich af waarom hij de rol van verdachte in zijn eerste verklaring heeft verzwegen. De verklaring van [betrokkene 2] staat op gespannen voet met de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4], die helemaal niet spreken over een kwalijke rol van verdachte. Ook [slachtoffer] verklaart pas een maand na het gebeuren over de eigenaar van de cafetaria. Ook hier heeft [betrokkene 8] een kwalijke rol gespeeld.
3.3. Verdachte is veroordeeld voor het feit dat
"hij op 22 mei 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer]
- meermaals met een ploertendoder, tegen zijn nek en/of hoofd en borst, heeft geslagen en/of getracht te slaan; en
- meermaals met een mes, althans een scherp puntig voorwerp in zijn lies en arm en
schouder heeft gestoken; en
- meermaals met een koevoet tegen zijn hoofd en lichaam heeft geslagen en/of getracht te slaan; en
- met de duim in het linkeroog heeft gedrukt en/of geduwd;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."
3.4. Ik stel voorop dat geen rechtsregel de rechter ertoe verplicht te beslissen omtrent enig verweer dat niet door of namens de verdachte uitdrukkelijk ter terechtzitting is voorgedragen. Dat wordt niet anders als de advocaat in hoger beroep in algemene zin en zonder nadere specificatie heeft verzocht om de in eerste aanleg gevoerde verweren als integraal herhaald en ingelast te beschouwen, zoals hier is geschied. [2] Als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal op de korrel neemt, behoeft niet op ieder detail van de argumentatie te worden ingegaan. [3]
3.5. Het hof heeft in zijn arrest uitgebreid aandacht besteed aan de betrouwbaarheid van het materiaal waarop het hof de veroordeling van verdachte heeft gebaseerd:
"
Ten aanzien van de plaats van waarneming door getuigen
Op grond van de door [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] afgelegde verklaringen stelt het hof het volgende vast. De vechtpartij begon op het terras van cafetaria [A]. Na enige tijd verplaatsten de vechtende personen zich in de richting van horecazaak [C], twee panden naast [A] gelegen, alwaar getuige [betrokkene 2] werkzaam was. Café [B], waar getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zich op dat moment bevonden, is weer iets verder verwijderd van cafetaria [A] en is gelegen enkele panden voorbij [C].
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen

Verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 5]:

Het hof gaat voor de vaststelling van de feiten met name uit van de verklaringen van getuigen [betrokkene 2], [betrokkene 5] en [betrokkene 4]. Deze getuigen zijn geen verdachten en zijn relationeel noch wat betreft arbeidsbetrekking verbonden aan het slachtoffer of aan een van de verdachten. [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zijn bovendien kort na het incident als getuigen gehoord: [betrokkene 2] op de dag zelf en drie dagen nadien en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] reeds de dag na het incident. Alle drie hebben jegens de rechter-commissaris verklaard dat zij ten tijde van het getuigenverhoor door de politie nog geen contact hadden gehad met het slachtoffer of diens broer,[betrokkene 8], zodat van beïnvloeding van deze zijde geen sprake kan zijn geweest. Daarbij komt dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat wat hij van de mishandeling heeft gezien, aan hem knaagt en zoveel indruk op hem heeft gemaakt, dat hij al enkele nachten niet goed heeft kunnen slapen en zijn verhaal kwijt moet (dossierpagina's 619 en 621). Ook getuige [betrokkene 4] verklaarde tegenover de politie dat hij het niet normaal vond wat er gebeurde. [betrokkene 4] verklaart dat hij de dochter van de eigenaar van de frituur tegenover de politie hoorde zeggen dat zij niet had geslagen en dat dit voor hem de druppel was en de reden dat hij de getuigenverklaring is komen afleggen.
Op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk geworden dat de waarnemingen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] door invloed van alcohol zou hebben tekortgeschoten.
[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij de mishandeling van zeer nabij heeft kunnen volgen. De hoeveelheid en aard van de details die hij weet te noemen en het feit dat zijn verklaring op beslissende punten wordt bevestigd door de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5], alsmede door de verwondingen van [slachtoffer], onderstrepen de betrouwbaarheid van zijn verklaring In dit kader kan nog worden opgemerkt dat [betrokkene 2] in zijn verklaring spreekt over de aanwezigheid van twee koevoeten en een ploertendoder, hetgeen steun vindt in de verklaringen van de andere getuigen en verdachte [medeverdachte 1] en in het feit dat in het cafetaria op 23 mei 2009 twee koevoeten zijn aangetroffen.

Verklaring [medeverdachte 1]:

Met betrekking tot het gebruik als bewijsmiddel van de schriftelijke aangifte van [medeverdachte 1] (p. 336-340 van het dossier) overweegt het hof in het bijzonder dat [medeverdachte 1] enige tijd voortvluchtig is geweest en derhalve niet kort na het incident is verhoord over het gebeurde Er is echter wel een schriftelijke verklaring, inhoudende aangiften, in de brievenbus van het politiebureau aangetroffen, ondertekend door [medeverdachte 1]. Deze schriftelijke verklaring schrijft het hof toe aan [medeverdachte 1], zulks i) omdat diens raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat deze schriftelijke verklaring afkomstig is van zijn cliënt [medeverdachte 1] en verdachte [medeverdachte 1] zelf desgevraagd op de terechtzitting in hoger beroep niet heeft betwist dat hij deze verklaring heeft geschreven, ii) omdat door de verdediging van de verdachten [medeverdachte 3] en [verdachte], welke zaken gelijktijdig met die van [medeverdachte 1] zijn behandeld, niet is betwist dat deze verklaring afkomstig is van [medeverdachte 1] en iii) vanwege de inhoud van deze verklaring, die slechts door [medeverdachte 1] zelfgeschreven lijkt te kunnen zijn. Het argument onder i heeft slechts betrekking op de zaak [medeverdachte 1], het argument onder ii) ziet slechts op de zaken [medeverdachte 3] respectievelijk [verdachte] en het argument onder iii) geldt voor alle drie de verdachten.

Verklaringen aangever [slachtoffer]:

Pas in de verklaring die aangever [slachtoffer] op 27 juni 2009 heeft afgelegd, noemt hij de eigenaar van de cafetaria, diens dochter en [medeverdachte 1] als de personen die hem met een breekijzer hadden geslagen, terwijl hij in zijn eerste verklaring (op 22 mei 2009) alleen de dochter van de eigenaar van de cafetaria noemt. Dit gegeven betekent op zichzelf niet dat hij niet naar waarheid heeft verklaard. Op 22 mei 2009 verklaarde [slachtoffer] (p 313) dat hij de daders ten tijde van het incident nog niet kende. Achteraf zijn de namen van de daders hem bekend geworden. Het hof overweegt ter zake in het bijzonder dat de verklaring zoals [slachtoffer]
die heeft afgelegd op 27 juni 2009 bevestiging vindt in de diverse getuigenverklaringen. Zo verklaart [betrokkene 2] op pagina 620 dat hij de [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 3] achter het slachtoffer ziet aanlopen en dat zij hem alle drie met een koevoet of uitschuifknuppel sloegen, hetgeen de verklaring van [slachtoffer] op pagina 321 ondersteunt. Het hof acht beide verklaringen van aangever [slachtoffer] derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs."
3.6. Het hof is er zich dus van bewust geweest dat de afgelegde verklaringen niet eenduidig waren over het aandeel van verdachte en heeft zich de moeite getroost om uit te leggen waarom het bewijsmateriaal waarop het hof de veroordeling heeft doen steunen geloof verdient. Het hof heeft geconcludeerd dat de verklaringen van [betrokkene 2] aansluiten bij die van [betrokkene 5] en van [betrokkene 4] en bovendien bevestiging vinden in de medische rapportage over de verwondingen van het slachtoffer. Deze getuigen hebben bovendien verklaard waarom zij verklaringen hebben afgelegd. Het hof heeft dus de ondersteuning gevonden voor de verklaringen die het heeft gebezigd. Ook een andere uitkomst laat zich denken, maar de op feitelijke afwegingen en waarderingen gestoelde conclusies van de feitenrechter worden in cassatie slechts getoetst op begrijpelijkheid en niet op exclusiviteit. Ik wijs er overigens op dat niet alleen [slachtoffer] (bewijsmiddel 2) en [betrokkene 2] (bewijsmiddel 9), maar ook J. Wouda (bewijsmiddel 10) heeft verklaard dat verdachte aan de vechtpartij heeft deelgenomen en daarbij een ander met een voorwerp op het hoofd heeft geslagen. Gelet op hetgeen de advocaat van verdachte in hoger beroep heeft aangevoerd, was het hof niet tot een nadere motivering gehouden. [4]
Cassatie is niet de arena waarin de feitelijke schermutselingen kunnen worden heropend, noch het forum waarop nieuwe feitelijke twijfel kan worden gezaaid, hetgeen het middel wel probeert te doen, zij het ook met een beroep op sommige omstandigheden van feitelijke aard die door het hof niet zijn vastgesteld. En welke andere omstandigheden het hof nog in het kader van het onderzoek naar de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen had moeten onderzoeken, is door de verdediging in hoger beroep niet aangegeven. Daarom komt de klacht dat het hof geen uitputtend onderzoek heeft verricht te laat.
Het middel faalt al zijn onderdelen.
4.1. Het eerste middel klaagt over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Op 21 november 2012 is cassatie ingesteld maar het dossier is eerst op 23 augustus 2013 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
4.2. Inderdaad zijn tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad meer dan negen maanden verstreken. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde termijn voor inzending is dus overschreden. Dat zal dienen te leiden tot verlaging van de opgelegde straf.
5.
Het eerste middel is gegrond, het tweede middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6.
Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met nr. 13/04014 ([medeverdachte 3]) waarin ik ook vandaag concludeer.
2.HR 6 april 1999, NJ 1999, 560 m.nt. Schalken rov. 9.2.1. e.v.; HR 12 februari 2002, NJ 1002, 427; HR 7 mei 2002, NJ 2002, 428 m.nt. de Hullu; HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2687; HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1431.
3.HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 m.nt. Buruma; HR 16 mei 2006, NJ 2007, 119 m.nt. Schalken.
4.HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7143; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238.