Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
21 januari 2014.
Hoge Raad
De betrokkene stelde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van de uitspraak, maar alleen wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot vernietiging kon leiden omdat het geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Ambtshalve stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, wat een vermindering van de betalingsverplichting rechtvaardigt.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van het bedrag en stelde het te betalen bedrag vast op € 42.689,-. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan op 21 januari 2014 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 42.689 wegens overschrijding van de redelijke termijn.