ECLI:NL:HR:2014:129

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2014
Publicatiedatum
21 januari 2014
Zaaknummer
12/04307
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 80a ROArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn in cassatiefase zonder rechtsgevolg

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem in een strafzaak. Het beroep werd ingesteld door de raadsman van verdachte, met meerdere middelen van cassatie. Na een eerdere gelegenheid tot schriftelijke reactie op toegevoegde stukken trok de raadsman het tweede middel in.

De Hoge Raad oordeelt dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden en behoeft geen nadere motivering. Het derde middel klaagt terecht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, doordat het hof de stukken te laat inzond.

Gezien de opgelegde gevangenisstraf van slechts een week en de mate van overschrijding, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om rechtsgevolgen aan deze termijnoverschrijding te verbinden. Het beroep wordt derhalve verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad constateert termijnoverschrijding in cassatie maar verbindt hieraan geen rechtsgevolg en verwerpt het beroep.

Uitspraak

21 januari 2014
Strafkamer
nr. 12/04307
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Enkelvoudige Kamer, van 15 augustus 2012, nummer 21/002463-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1.Geding in cassatie

1.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
1.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2015, de raadsman van de verdachte in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over de door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het tweede middel aan het dossier toegevoegde stukken.
1.3.
Bij brief van 30 december 2013 heeft de raadsman het tweede middel ingetrokken.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van een week en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2014.