Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
3 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De advocaat van de verdachte heeft middelen van cassatie voorgesteld, waarop de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot vermindering van de straf en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad beoordeelt de middelen en stelt vast dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie kunnen leiden en geen nadere motivering behoeven. Het derde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vanwege te late inzending van stukken door het hof.
De Hoge Raad oordeelt dat de overschrijding van de inzendtermijn wordt gecompenseerd doordat de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep wordt afgedaan. Hierdoor is er geen sprake van een schending van het recht op een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Het beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep wegens gecompenseerde overschrijding van de inzendtermijn.