Conclusie
eerste middelklaagt over ’s Hofs verwerping van het verweer dat verzoeker bij geen van deze feiten als medepleger kan worden aangemerkt.
Medeplegen of medeplichtigheid
verval tankstation Brand Oil op 13 juni 2013
oging woningoverval op 7 augustus 2013
tweede middelklaagt over de bewezenverklaring van de genoemde overval op tankstation Brand Oil op 13 juni 2013. Naar het oordeel van de steller van het middel heeft het Hof de bewijsminimumregel als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv niet in acht genomen, omdat de verklaring van medeverdachte [betrokkene 1] onvoldoende steun zou vinden in ander bewijsmateriaal. Het
derde middelziet eveneens op dit feit en behelst de klacht dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging “uitdrukkelijk naar voren gebrachte en gemotiveerde verweer ten aanzien van het gebrek aan bewijswaarde van het proces-verbaal van bevindingen” dat door het Hof als bewijsmiddel 11 is gebezigd.
. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk aspirant en brigadier van Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0633 2013077590-1, gesloten en getekend op 13 juni 2013 te Zutphen, als bijlage (Z3 p. 144 t/m p. 146) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de aangifte van [betrokkene 4], -zakelijk weergegeven -:
2.5 uur voor het tijdstip van de overvalen de omschrijving van de negroïde persoon is zeer summier. Bovendien is het tankstation gelegen op circa
7 kmafstand van de woning van cliënt. Naar het oordeel van de verdediging is zulks dan ook absoluut onvoldoende om voor het bewijs van het tenlastegelegde te kunnen worden gebruikt. Het enkele feit dat cliënt eerder op die dag in de buurt van het tankstation in zijn directe woonomgeving reed is daarvoor onvoldoende.
vierde en het vijfde middelklagen over ’s Hofs verwerping van de verweren dat bij de overval op cafetaria De Riet op 10 augustus 2013 geen sprake is geweest van openbaring van een begin van uitvoering onderscheidenlijk (kennelijk subsidiair) van een vrijwillige terugtred van de daders.
verzoekereen beroep op vrijwillige terugtred toekwam omdat medeverdachte [betrokkene 2] niet over de balie kon springen. Het vijfde middel zegt evenwel in het geheel niet, het voormelde verweer trouwens ook niet, dat en waarom verzoeker een dergelijk beroep zou toekomen, en houdt in dit verband slechts in dat de verwijzing van het Hof naar het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351 (NJ 2011/358 m.nt. Keijzer) [2] niet opgaat als het eerste middel zou slagen. Ook legt het vijfde middel niet uit waarom hetgeen het Hof daarover heeft overwogen van een onjuiste rechtsopvatting zou getuigen of onbegrijpelijk dan wel gebrekkig zou zijn gemotiveerd. En het rept al helemaal niet over wat er volgens de verklaring van [betrokkene 1] daarna gebeurde: verzoeker wilde dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de vrijwel onmiddellijk daaropvolgende overval op cafetaria De Violier zouden gaan plegen “omdat hij anders voor niets [was] gereden” (bewijsmiddel 6). Dit duidt toch ook niet echt op een berouwvolle inkeer.
zesde middeltot slot klaagt over de verwerping van het verweer dat bij de poging woningoverval op 7 augustus 2013 geen sprake is geweest van openbaring van een begin van uitvoering.