Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 5 februari 2013, nr. BK‑12/00143, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende verhuurde gedurende vijf jaar kunstvoorwerpen aan een museum tegen een huurprijs van € 57.600 per jaar, terwijl de waarde van de kunstvoorwerpen € 720.000 bedroeg. De vraag was of deze kunstvoorwerpen als belegging in de zin van artikel 5.8 Wet IB 2001 moesten worden aangemerkt.
De rechtbank en het hof hebben verschillende uitspraken gedaan over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2005. Het hof oordeelde dat de verhuurde kunstvoorwerpen rendabel werden gemaakt en derhalve als belegging moesten worden beschouwd. Belanghebbende voerde aan dat verhuur aan een museum niet betekent dat sprake is van hoofdzakelijk ter belegging aangehouden kunst.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de kunstvoorwerpen rendabel werden verhuurd en dat de verhuur aan een museum niet afdoet aan de kwalificatie als belegging. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel dat de verhuurde kunstvoorwerpen tot de rendementsgrondslag van box 3 behoren wordt bekrachtigd.