Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 13 december 2013, nr. 13/00161, ECLI:NL:HR:2013:1804.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft een verzoek tot herziening ingediend tegen een arrest van 13 december 2013. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Dit griffierecht is echter niet voldaan.
Vervolgens is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. De aangevoerde redenen in de brief van 9 april 2014 boden echter geen grond om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het verzoek tot herziening daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad acht geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Het arrest is op 6 juni 2014 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en Th. Groeneveld.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen van het griffierecht.