Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
21 januari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. In cassatie werd een middel voorgesteld, maar dit werd niet gegrond bevonden omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.
De Hoge Raad beoordeelde ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Ondanks deze overschrijding zag de Hoge Raad geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden, mede gelet op de relatief lichte straf.
Daarom volstond de Hoge Raad met de constatering van de termijnoverschrijding en verwierp het beroep van de verdachte. Het arrest werd uitgesproken door drie raadsheren onder voorzitterschap van H.A.G. Splinter-van Kan op 21 januari 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en constateert de overschrijding van de redelijke termijn zonder gevolgen voor de straf.