Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Gelegenheid tot het maken van schriftelijke opmerkingen
4.Beslissing
6 juni 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter te Brielle. De centrale rechtsvraag betreft de wijze waarop moet worden bepaald of een jaarlijks uitgekeerd vakantiegeld onder de beslagvrije voet valt indien beslag wordt gelegd op het loon of de uitkering waaruit het vakantiegeld wordt betaald.
De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de kantonrechter en de voordracht van de Procureur-Generaal, die verzoekt het bestreden vonnis te vernietigen zonder nadelige gevolgen voor de rechten van partijen. Tevens is de Hoge Raad geïnformeerd over een aanhangige procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over dezelfde rechtsvraag, waarbij partijen overeenkwamen de kwestie volledig uit te procederen.
De Hoge Raad ziet aanleiding om, overeenkomstig artikel 393 lid 2 Rv Pro, gelegenheid te bieden tot het maken van schriftelijke opmerkingen over de vraagstelling, ook al betreft het geen prejudiciële vraag. Dit omdat de functie van cassatie in het belang der wet en prejudiciële vragen vergelijkbaar is: het bevorderen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling.
De uitspraak wordt gepubliceerd en partijen kunnen tot 4 juli 2014 schriftelijke opmerkingen indienen via een advocaat. Daarna wordt de zaak opnieuw aan de Procureur-Generaal voorgelegd voor een eventuele nadere conclusie. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad biedt gelegenheid tot schriftelijke opmerkingen over de vraag of vakantiegeld onder de beslagvrije voet valt en houdt de zaak aan.