ECLI:NL:HR:2014:1342

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juni 2014
Publicatiedatum
5 juni 2014
Zaaknummer
14/00873
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie in het belang der wet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475b RvArt. 393 lid 2 RvArt. 392 e.v. Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie in het belang der wet over vakantiegeld en beslagvrije voet

In deze zaak heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter te Brielle. De centrale rechtsvraag betreft de wijze waarop moet worden bepaald of een jaarlijks uitgekeerd vakantiegeld onder de beslagvrije voet valt indien beslag wordt gelegd op het loon of de uitkering waaruit het vakantiegeld wordt betaald.

De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de kantonrechter en de voordracht van de Procureur-Generaal, die verzoekt het bestreden vonnis te vernietigen zonder nadelige gevolgen voor de rechten van partijen. Tevens is de Hoge Raad geïnformeerd over een aanhangige procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over dezelfde rechtsvraag, waarbij partijen overeenkwamen de kwestie volledig uit te procederen.

De Hoge Raad ziet aanleiding om, overeenkomstig artikel 393 lid 2 Rv Pro, gelegenheid te bieden tot het maken van schriftelijke opmerkingen over de vraagstelling, ook al betreft het geen prejudiciële vraag. Dit omdat de functie van cassatie in het belang der wet en prejudiciële vragen vergelijkbaar is: het bevorderen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling.

De uitspraak wordt gepubliceerd en partijen kunnen tot 4 juli 2014 schriftelijke opmerkingen indienen via een advocaat. Daarna wordt de zaak opnieuw aan de Procureur-Generaal voorgelegd voor een eventuele nadere conclusie. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad biedt gelegenheid tot schriftelijke opmerkingen over de vraag of vakantiegeld onder de beslagvrije voet valt en houdt de zaak aan.

Uitspraak

6 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 14/00873 (CW 2720)
LZ/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen het vonnis van de kantonrechter te Brielle van 8 januari 2013, zaaknummer 1348569 CV 12-3297.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak 1348569 CV 12-3297 van de kantonrechter te Brielle van 8 januari 2013;
Het vonnis van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld. De voordracht tot cassatie van de Procureur-Generaal is aan dit arrest gehecht.
De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden vonnis in het belang der wet zal vernietigen en zal verstaan dat de vernietiging geen nadeel zal toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.

3.Gelegenheid tot het maken van schriftelijke opmerkingen

3.1
Het cassatieberoep van de Procureur-Generaal stelt de vraag aan de orde aan de hand van welke regel of regels bepaald moet worden in hoeverre een eens per jaar uit te betalen vakantiegelduitkering aan een beslaglegger moet worden uitbetaald dan wel onder de beslagvrije voet van art. 475b e.v. Rv valt, indien beslag ligt op het loon of de uitkering waarvan het vakantiegeld deel uitmaakt. Deze vraag doet zich in de praktijk veelvuldig voor en bij de beantwoording ervan kan de uitvoerbaarheid van die regel of regels mede een rol spelen.
3.2
Bij een op 1 mei 2014 gedateerde brief van de Sociale Verzekerings Bank (SVB) is de Hoge Raad erover geïnformeerd dat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een procedure aanhangig is over dezelfde rechtsvraag als in het onderhavige cassatieberoep aan de Hoge Raad is voorgelegd. Partijen in die procedure zijn (onder meer) de SVB en de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders. Volgens de brief zijn deze beide partijen overeengekomen de onderhavige kwestie “ten principale uit te procederen, zo nodig en mogelijk tot en met de Hoge Raad”. In de brief wordt verzocht de uitspraak in het onderhavige cassatieberoep aan te houden “totdat de Hoge Raad kennis heeft kunnen nemen van de standpunten en aanvullende argumenten van beide partijen als reële belanghebbenden”.
3.3
Gelet op een en ander ziet de Hoge Raad aanleiding om gelegenheid te geven tot het maken van schriftelijke opmerkingen, overeenkomstig het in art. 393 lid 2 Rv Pro bepaalde. Weliswaar betreft deze zaak geen prejudiciële vraag als bedoeld in art. 392 e.v. Rv, maar de functie van een vordering tot cassatie in het belang der wet en die van de beantwoording van prejudiciële vragen is dezelfde, namelijk het beantwoorden van rechtsvragen die voor de praktijk van belang zijn, mede in verband met de rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Daarom bestaat grond de mogelijkheid tot het maken van schriftelijke opmerkingen ook toe te passen bij de behandeling van een cassatieberoep in het belang der wet, ingeval dat daartoe naar het oordeel van de Hoge Raad aanleiding bestaat.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
bepaalt dat deze uitspraak wordt gepubliceerd op de website van de Hoge Raad;
biedt gelegenheid om uiterlijk op 4 juli 2014 door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad schriftelijke opmerkingen te maken over de hiervoor in 3.1 genoemde vraag;
bepaalt dat de zaak na ommekomst van deze termijn opnieuw in handen van de Procureur-Generaal wordt gesteld, opdat deze desgewenst een nadere conclusie kan nemen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
6 juni 2014.