Uitspraak
beiden wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 juni 2014.
Hoge Raad
In deze zaak hebben verzoekers cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een WSNP-procedure. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten van lagere instanties voor de feitelijke gang van zaken.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep verworpen moet worden. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden, omdat er geen gronden van beroep zijn aangevoerd die tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaken.
Op grond van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering wordt het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 6 juni 2014 gewezen en in het openbaar uitgesproken door de raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden van beroep.