Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoekster die in eerste aanleg en hoger beroep een toelatingsverzoek tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) heeft ingediend. Zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben dit verzoek afgewezen. De kern van het geschil is of de verzoekster te goeder trouw was bij het indienen van het verzoek.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten van de lagere instanties en overweegt dat de klachten van de verzoekster in cassatie niet leiden tot cassatie. Daarbij is van belang dat de klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigt dat het ontbreken van goede trouw een gegronde reden is om een toelatingsverzoek tot de WSNP af te wijzen op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro b van de Faillissementswet.
Het arrest wordt gewezen door de raadsheren Van Buchem – Spapens, Heisterkamp en Drion en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot op 6 juni 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het toelatingsverzoek tot de WSNP wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw.